De verschillende toetsingen die EN 1992-1-1 vereist, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De UGT-toetsingen worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de wapeningssterkte en de verankering (aanhechtingsschuifspanningen).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning Ļc = Ļc2 uit de EEM-analyse en de grenswaarde Ļc,lim = fcd.Ā
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening bij de scheuren Ļsr en de opgegeven grenswaarde Ļs,lim:
waarin:
fykĀ Ā Ā Ā Ā Ā Ā de vloeigrens van de wapening volgens EN 1992-1-1 art. 3.2.3,
kĀ Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā de verhouding tussen de treksterkte ftk en de vloeispanning,
Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā
γs            de partiële veiligheidsfactor voor wapening is
De aanhechtingsschuifspanning wordt afzonderlijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtingsspanning Ļb, berekend met de EEM-analyse, en de uiterste aanhechtingssterkte fbd, volgens EN 1992-1-1 hoofdstuk 8.4.2:
waarin:
fctd Ā Ā Ā Ā de rekenwaarde van de betontreksterkte is volgens EN 1992-1-1 art. 3.1.6 (2). Vanwege de toenemende brosheid van beton met hogere sterkte wordt fctk,0.05 begrensd tot de waarde voor C60/75 volgens EN 1992-1-1 art. 8.4.2 (2)
η1      een coëfficiënt is die samenhangt met de kwaliteit van de aanhechtingsomstandigheden en de positie van de staaf tijdens het storten (Fig. 31).
Ī·1 = 1,0 bij āgoedeā omstandigheden en
Ī·1 = 0,7 in alle andere gevallen en voor staven in constructieve elementen die met glijbekisting zijn vervaardigd, tenzij kan worden aangetoond dat āgoedeā aanhechtingsomstandigheden bestaan
Ī·2 Ā Ā Ā Ā Ā Ā samenhangt met de staafdiameter:
            η2 = 1,0 voor à ⤠32 mm
Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ā Ī·2 = (132 - Ć)/100 voor Ć > 32 mm
In IDEA StatiCa Detail worden de aanhechtingsomstandigheden meegenomen volgens Fig. 31 c) en d). De stortrichting kan in de applicatie voor elk projectitem als volgt worden ingesteld.

Deze toetsingen worden uitgevoerd ten opzichte van de passende grenswaarden voor de betreffende delen van de constructie (d.w.z. ondanks dat er voor zowel het beton als het wapeningsmateriaal ƩƩn enkele sterkteklasse geldt, verschillen de uiteindelijke spanning-rek-diagrammen per deel van de constructie door de effecten van tension stiffening en compression softening).
Het is ook mogelijk om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie vindt u hier: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden bepaald.
waarin As de doorsnede van de wapeningsstaaf is en Ļs de spanning in de staaf.
Of als de som van deĀ verankeringskrachtĀ Fa en deĀ aanhechtingskrachtĀ Fbond.
waarin Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtingskracht, die kan worden verkregen door de aanhechtingsspanning Ļb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de uiterste sterkte van de wapeningsstaaf en met de verankeringsomstandigheden (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enz.).
waarin Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarin Flim,add de aanvullende kracht is, berekend uit de grootte van de hoek tussen naburige elementen. Flim,2 moet altijd lager zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen in de CSFM omvatten een rechte staaf (d.w.z. zonder reductie van het ankereinde), bocht, haak, lus, aangelaste dwarsstaaf, perfecte aanhechting en doorgaande staaf. Al deze typen, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, zijn weergegeven in Fig. 32 voor langswapening en in Fig. 33 voor beugels. De waarden van de toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn in overeenstemming met EN 1992-1-1 paragraaf 8.4.4 Tab. 8.2. Opgemerkt moet worden dat de CSFM, ondanks de verschillende beschikbare opties, drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 30 % van de verankeringslengte bij een genormaliseerde verankering en (iii) perfecte aanhechting.


Om aan EN 1992-1-1 te voldoen, moet de verankeringsveer in de berekening worden gebruikt. De verankeringsveer wordt aangepast met de coĆ«fficiĆ«nt β, zodat de gebruiker bij het definiĆ«ren van de begin- en eindvoorwaarden van de wapening een van de beschikbare verankeringstypen moet kiezen.Ā



