De theoretische achtergrond is gebaseerd op COMPATIBLE STRESS FIELD DESIGN OF STRUCTURAL CONCRETE
(Kaufmann et al., 2020)
Constructief ontwerp van betondiscontinuïteiten in IDEA StatiCa Detail
1 Inleiding in de CSFM-methode
1.1 Algemene inleiding in het constructief ontwerp van betondetails
1.2 Belangrijkste aannames en beperkingen
1.3 Ontwerptools voor wapening
2 Rekenmodel van IDEA StatiCa Detail
2.1 Inleiding in de implementatie van eindige elementen
2.2 Opleggingen en belastingoverdragende componenten
2.3 Krachtsoverdracht bij afgekapte uiteinden van liggers
2.4 Geometrische aanpassing van doorsneden
2.5 Typen eindige elementen
2.6 Meshing
2.7 Oplossingsmethode en belastingsgestuurd algoritme
2.8 Weergave van resultaten
3 Modelverificatie
3.1 Grenstoestanden, scheurwijdteberekening en tension stiffening
4 Constructieve toetsingen volgens EUROCODE
4.1 Materiaalmodellen (EN)
4.2 Veiligheidsfactoren
4.3 Analyse van de uiterste grenstoestand
4.4 Deels belaste gebieden (PLA)
4.5 Analyse van de bruikbaarheidsgrenstoestand
5 Constructieve toetsingen volgens ACI 318-19
5.1 Materiaalmodellen (ACI)
5.2 Sterktereductie- en belastingfactoren
5.3 Sterktetoetsingen
5.4 Oplegging- en verankeringszones - Deels belaste gebieden
5.5 Bruikbaarheidstoetsingen
6 Constructieve toetsingen volgens AASHTO
6.1 Materiaalmodellen (AASHTO)
6.2 Weerstands- en belastingfactoren
6.3 Grenstoestand voor sterkte
6.4 Weerstand van oplegging- en verankeringszones – Deels belaste gebieden
6.5 Bruikbaarheidsgrenstoestand
7 Constructieve toetsingen volgens AS 3600
7.1 Materiaalmodellen (AUS)
7.2 Spanningsreductie- en belastingfactoren
7.3 Sterkte- en verankeringstoetsingen
7.4 Bruikbaarheidstoetsingen
8 Constructieve toetsingen volgens CSA A23.3:24
8.1 Materiaalmodellen (CSA)
8.2 Weerstands- en belastingfactoren
8.3 Uiterste grenstoestand
8.4 Weerstand van oplegging- en verankeringszones – Deels belaste gebieden
8.5 Bruikbaarheidsgrenstoestand
9 Voorspanning in Detail - Modelbeschrijving
1 Inleiding in de CSFM-methode
1.1 Algemene inleiding voor het constructief ontwerp van betondetails
Het ontwerp en de toetsing van betonelementen worden normaal gesproken uitgevoerd op doorsnede- (1D-element) of puntniveau (2D-element). Deze werkwijze is beschreven in alle normen voor constructief ontwerp, bijv. in (EN 1992-1-1 of ACI 318-19), en wordt dagelijks toegepast in de constructiepraktijk. Het is echter niet altijd bekend of in acht genomen dat deze werkwijze alleen toelaatbaar is in gebieden waar de hypothese van Bernoulli-Navier voor een vlakke rekverdeling geldt (B-gebieden genoemd). De plaatsen waar deze hypothese niet geldt, worden discontinuïteitsgebieden of verstoorde gebieden genoemd (D-gebieden). Voorbeelden van B- en D-gebieden van 1D-elementen zijn weergegeven in (Fig. 1). Dit zijn bijv. opleggebieden, delen waar geconcentreerde belastingen worden aangebracht, locaties met een plotselinge verandering van de doorsnede, openingen, enz. Bij het ontwerpen van betonconstructies komen we veel andere D-gebieden tegen, zoals wanden, brugdiafragma's, consoles, enz.

In het verleden werden semi-empirische ontwerpregels gebruikt voor het dimensioneren van discontinuïteitsgebieden. Gelukkig zijn deze regels de afgelopen decennia grotendeels vervangen door staafwerkmodellen (Schlaich et al., 1987) en spanningsvelden (Marti 1985), die zijn opgenomen in de huidige normen en tegenwoordig vaak door ontwerpers worden gebruikt. Deze modellen zijn mechanisch consistent en krachtige hulpmiddelen. Houd er rekening mee dat spanningsvelden in het algemeen continu of discontinu kunnen zijn en dat staafwerkmodellen een speciaal geval van discontinue spanningsvelden zijn.
Ondanks de evolutie van rekentools in de afgelopen decennia worden staafwerkmodellen in wezen nog steeds als handberekeningen gebruikt. Toepassing ervan op reële constructies is omslachtig en tijdrovend, omdat iteraties nodig zijn en meerdere belastingsgevallen moeten worden beschouwd. Bovendien is deze methode niet geschikt voor het toetsen van bruikbaarheidscriteria (vervormingen, scheurwijdten, enz.).
De interesse van constructeurs in een betrouwbare en snelle tool voor het ontwerpen van D-gebieden leidde tot het besluit om de nieuwe Compatible Stress Field Method te ontwikkelen, een methode voor computerondersteund ontwerpen met spanningsvelden die het automatisch ontwerpen en toetsen mogelijk maakt van constructieve betonstaven die worden belast in het vlak.
De Compatible Stress Field Method (CSFM) is een continue, op de Eindige Elementen Methode gebaseerde analysemethode voor spanningsvelden, waarin klassieke spanningsveldoplossingen worden aangevuld met kinematische beschouwingen, d.w.z. de rektoestand wordt over de gehele constructie bepaald. Hierdoor kan de effectieve druksterkte van beton automatisch worden berekend op basis van de rektoestand in dwarsrichting, op een vergelijkbare wijze als bij drukveldanalyses die rekening houden met compression softening (Vecchio en Collins 1986; Kaufmann en Marti 1998) en de EPSF-methode (Fernández Ruiz en Muttoni 2007). Bovendien houdt de CSFM rekening met tension stiffening, waardoor de elementen realistische stijfheden krijgen, en dekt zij alle normvoorschriften (inclusief aspecten van bruikbaarheid en vervormingscapaciteit) die in eerdere benaderingen niet consistent werden behandeld. De CSFM gebruikt gangbare uniaxiale constitutieve relaties uit de normen voor beton en wapening. Deze zijn bekend in de ontwerpfase, waardoor de partiëlefactorenmethode kan worden toegepast. Ontwerpers hoeven dus geen aanvullende, vaak willekeurige materiaaleigenschappen op te geven, zoals doorgaans vereist is voor niet-lineaire EEM-analyses, waardoor de methode uitermate geschikt is voor de praktijk.
Om het gebruik van computerondersteunde spanningsvelden door constructeurs te bevorderen, moeten deze methoden worden geïmplementeerd in gebruiksvriendelijke softwareomgevingen. Hiertoe is de CSFM geïmplementeerd in IDEA StatiCa Detail; een nieuwe, gebruiksvriendelijke commerciële software, gezamenlijk ontwikkeld door ETH Zürich en het softwarebedrijf IDEA StatiCa in het kader van het DR-Design Eurostars-10571-project.
1.2 Belangrijkste uitgangspunten en beperkingen voor CSFM in 2D
CSFM houdt rekening met de maximale hoofdspanning in het beton op druk (σc2r) en met de wapeningsspanningen (σsr) ter plaatse van de scheuren, terwijl de treksterkte van het beton (σc1r = 0) wordt verwaarloosd, behalve het stiffening effect ervan op de wapening. Door tension stiffening mee te nemen kunnen de gemiddelde wapeningsrekken (εm) worden gesimuleerd. Er worden fictieve, roterende, spanningsvrije scheuren beschouwd die zonder slip openen (Fig. 2a), en het evenwicht ter plaatse van de scheuren wordt samen met de gemiddelde wapeningsrekken in rekening gebracht.

Ondanks hun eenvoud is aangetoond dat vergelijkbare uitgangspunten nauwkeurige voorspellingen opleveren voor gewapende staven onder belasting in het vlak (Kaufmann 1998; Kaufmann en Marti 1998), mits de aangebrachte wapening bros bezwijken bij scheurvorming voorkomt. Bovendien is het niet in rekening brengen van enige bijdrage van de treksterkte van beton aan de uiterste belasting in overeenstemming met de principes van moderne normen, die grotendeels op de plasticiteitstheorie zijn gebaseerd.
De CSFM is echter niet geschikt voor slanke elementen zonder dwarswapening, aangezien voor dergelijke elementen relevante mechanismen zoals vertanding van het toeslagmateriaal, resterende trekspanningen aan de scheurtip en deuvelwerking – die allemaal direct of indirect afhankelijk zijn van de treksterkte van het beton – worden verwaarloosd. Hoewel sommige normen het ontwerp van dergelijke elementen toestaan op basis van semi-empirische bepalingen, is de CSFM niet bedoeld voor dit type potentieel bros bezwijkende constructie.
Beton
Het betonmodel dat in de CSFM is geïmplementeerd, is gebaseerd op de uniaxiale constitutieve wetten voor druk die in normen zijn voorgeschreven voor het ontwerp van doorsneden en die alleen afhankelijk zijn van de drukvastheid. Het parabool-rechthoekdiagram (Fig. 2c) wordt standaard gebruikt in de CSFM, maar ontwerpers kunnen ook kiezen voor een eenvoudiger elastisch-ideaalplastisch verband. Bij toetsing volgens de ACI-norm kan alleen het parabool-rechthoek spanning-rekdiagram worden gebruikt. Zoals eerder vermeld, wordt de treksterkte verwaarloosd, zoals ook gebruikelijk is bij klassiek ontwerp van gewapend beton.
De effectieve drukvastheid wordt automatisch bepaald voor gescheurd beton op basis van de hoofdrek in trek (ε1) met behulp van de reductiefactor kc2, zoals weergegeven in Fig. 2c en e. Het geïmplementeerde reductieverband (Fig. 2e) is een veralgemening van het voorstel uit fib Model Code 2010 voor afschuivingstoetsingen, dat een grenswaarde van 0,65 bevat voor de maximale verhouding tussen de effectieve betonsterkte en de drukvastheid van het beton, en die niet van toepassing is op andere belastingsgevallen.
De CSFM in IDEA StatiCa Detail hanteert geen expliciet bezwijkcriterium in termen van rekken voor beton op druk (het gaat dus uit van een oneindig plastische tak nadat de piekspanning is bereikt). Door deze vereenvoudiging kan het vervormingsvermogen van constructies die op druk bezwijken niet worden getoetst. Hun uiterste draagvermogen wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2) zoals gedefinieerd in (Fig. 2e), ook de toename van de brosheid van beton bij toenemende sterkte in rekening wordt gebracht door middel van de reductiefactor zoals gedefinieerd in fib Model Code 2010:
waarin:
kc de globale reductiefactor van de drukvastheid is
kc2 de reductiefactor is vanwege de aanwezigheid van dwarsscheuren
fc de karakteristieke cilindersterkte van het beton is (in MPa voor de definitie van ).
Er vindt ook een reductie van de factor kc2 plaats vanwege de stabiliteit van de berekening. Deze reductie heeft geen invloed op de totale sterkte van staven. Uitgaande van fcd als de rekenwaarde van de betonsterkte, wordt de waarde van kc2 gereduceerd volgens de onderstaande regels.
σc2r < 0.11fcd kc2=1.0
0.11fcd < σc2r < 0.37fcd kc2 is een lineaire interpolatie tussen 1,0 en de waarde uit de
grafiek in Fig. 2f
σc2r > 0.37fcd kc2 wordt direct overgenomen uit de grafiek in Fig. 2f
Wapening
Het geïdealiseerde bilineaire spanning-rekdiagram voor blanke wapeningsstaven zoals dat doorgaans in normen is gedefinieerd (Fig. 2d), wordt toegepast. Voor de definitie van dit diagram zijn tijdens de ontwerpfase alleen de basiseigenschappen van de wapening nodig (sterkte- en ductiliteitsklasse). Er kan ook een door de gebruiker gedefinieerd spanning-rekverband worden ingevoerd.
Tension stiffening wordt in rekening gebracht door het spanning-rekverband van de blanke wapeningsstaaf als invoer aan te passen, om de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven te beschrijven (εm).
Aanhechtingsmodel
De aanhechting-slip tussen wapening en beton wordt in het eindige-elementenmodel geïntroduceerd door het vereenvoudigde stijf-ideaalplastische constitutieve verband te hanteren dat in Fig. 2f is weergegeven, waarbij fbd de rekenwaarde is van de uiterste aanhechtingsspanning zoals die in de norm is gespecificeerd voor de betreffende aanhechtingsomstandigheden.
Dit is een vereenvoudigd model met als enig doel het toetsen van de aanhechtingsvoorschriften volgens de normen (d.w.z. verankering van de wapening). De reductie van de verankeringslengte bij het gebruik van haken, lussen en vergelijkbare staafvormen kan in rekening worden gebracht door een bepaald draagvermogen aan het uiteinde van de wapening te definiëren, zoals verderop zal worden beschreven.
1.3 Ontwerptools voor wapening
Werkwijze en doelen
Het doel van de ontwerptools voor wapening in de CSFM is ontwerpers te helpen om de positie en de benodigde hoeveelheid wapeningsstaven efficiënt te bepalen. De volgende tools ondersteunen en begeleiden de gebruiker bij dit proces: lineaire berekening en topologie-optimalisatie.
Ontwerptools voor wapening gebruiken meer vereenvoudigde constitutieve modellen dan de modellen die worden gebruikt voor de definitieve toetsing van de constructie. De wapeningsdefinitie in deze stap moet daarom worden beschouwd als een voorontwerp dat tijdens de definitieve toetsing wordt bevestigd of verfijnd. Het gebruik van de verschillende ontwerptools voor wapening wordt toegelicht aan de hand van het model in Fig. 3. Dit model bestaat uit één uiteinde van een vrij opgelegde ligger met variabele hoogte, belast door een gelijkmatig verdeelde belasting.

Lineaire analyse
De lineaire analyse gaat uit van lineair-elastische materiaaleigenschappen en verwaarloost de wapening in het betongebied. Het is daarom een zeer snelle berekening die een eerste inzicht geeft in de locaties van trek- en drukzones. Een voorbeeld van een dergelijke berekening is weergegeven in Fig. 4.

Topologie-optimalisatie
Topologie-optimalisatie is een methode die de optimale verdeling van materiaal in een gegeven volume zoekt voor een bepaalde belastingconfiguratie. De topologie-optimalisatie in Idea StatiCa Detail maakt gebruik van een lineair eindig-elementenmodel. Elk eindig element kan een relatieve dichtheid hebben van 0 tot 100 %, die de relatieve hoeveelheid gebruikt materiaal weergeeft. Deze elementdichtheden zijn de optimalisatieparameters in het optimalisatieprobleem. De resulterende materiaalverdeling is optimaal voor de gegeven belastingen als de totale rekenergie van het systeem minimaal is. Per definitie is de optimale verdeling ook de geometrie met de grootst mogelijke stijfheid voor de gegeven belastingen.
Het iteratieve optimalisatieproces start met een homogene dichtheidsverdeling. De berekening wordt uitgevoerd voor meerdere totale volumefracties (20%, 40%, 60% en 80%), zodat de gebruiker het meest praktische resultaat kan kiezen. De resulterende vorm bestaat uit vakwerken met drukdiagonalen en trekstaven en vertegenwoordigt de optimale vorm voor de gegeven belastinggevallen (Fig. 5).


2 Rekenmodel van IDEA StatiCa Detail
2.1 Inleiding tot de implementatie van de eindige elementen methode
De CSFM beschouwt continue spanningsvelden in het beton (2D-eindige elementen), aangevuld met discrete "staaf"-elementen die de wapening representeren (1D-eindige elementen). Daarom is de wapening niet diffuus ingebed in de 2D-eindige elementen van het beton, maar expliciet gemodelleerd en met deze elementen verbonden. In het rekenmodel wordt uitgegaan van een vlakspanningstoestand.

Zowel complete wanden en liggers als details (delen) van liggers (geïsoleerd discontinuïteitsgebied, ook wel afgekapt uiteinde genoemd) kunnen worden gemodelleerd. Bij wanden en complete liggers moeten de steunpunten zo worden gedefinieerd dat een (uitwendig) isostatische (statisch bepaalde) of hyperstatische (statisch onbepaalde) constructie ontstaat. De krachtsinleiding aan de afgekapte uiteinden van liggers wordt gerealiseerd door middel van een speciale Saint-Venant-overgangszone, die zorgt voor een realistische spanningsverdeling in het beschouwde detailgebied.
2.2 Steunpunten en belastingoverdragende componenten
Om de meeste situaties tijdens het bouwproces te modelleren, zijn in de CSFM veel typen steunpunten (Fig. 7) en componenten voor het overdragen van belasting (Fig. 8) beschikbaar.
Steunpunten
Een puntsteun kan op verschillende manieren worden gemodelleerd, zodat de spanningen niet in één punt worden geconcentreerd, maar over een groter oppervlak worden verdeeld. De eerste optie is een verdeelde puntsteun (Fig. 7a), die de belasting op de rand van de staaf gelijkmatig verdeelt over de opgegeven breedte.

Een patch support (Fig. 7d) kan daarentegen alleen binnen een betonvolume met een gedefinieerde effectieve straal worden geplaatst. Deze is vervolgens met stijve elementen verbonden met de knopen van het wapeningsmesh binnen deze straal. Daarom is het noodzakelijk om rond de patch support een wapeningskorf te definiëren.
Voor een nauwkeurigere modellering van bepaalde praktijksituaties zijn er nog twee andere opties voor een puntsteun. Ten eerste is er een puntsteun met een oplegplaat met gedefinieerde breedte en dikte (Fig. 7b). Het materiaal van de oplegplaat kan worden opgegeven en de hele oplegplaat wordt afzonderlijk gemeshed. Ten tweede is er een ophangsteun beschikbaar (Fig. 7e), die kan worden gebruikt voor het modelleren van hijsankers of hijsdeuvels.
Een lijnsteun (Fig. 7c) kan worden gedefinieerd op een rand (door de lengte op te geven) of binnen een element (met een polylijn). Het is ook mogelijk om de stijfheid en/of het niet-lineaire gedrag op te geven (steun op druk/trek of alleen op druk).
- Lees gedetailleerde beschrijvingen in Soorten steunpunten in IDEA StatiCa Detail
Belastingoverdragende componenten
Het introduceren van belastingen in de constructie kan eveneens op verschillende manieren worden gemodelleerd. Voor puntlasten kan een oplegplaat (Fig. 8a) op vergelijkbare wijze als bij een puntsteun worden gebruikt, waarbij de geconcentreerde belasting wordt verdeeld over een groter oppervlak dankzij een stalen plaat met gedefinieerde breedte en dikte.

De puntlast kan worden aangebracht direct op het oppervlak van de constructie met een gedefinieerde werkingsstraal (de belasting wordt aangebracht op de betonelementen) of via een speciaal overdrachtsmiddel, de patch load (Fig. 8b en Fig. 9). Een patch load maakt het mogelijk de belasting direct over te dragen naar de gedefinieerde wapening die zich binnen het gebied van de effectieve straal bevindt. Om de correcte werking van de patch load te waarborgen, moet een groep wapeningsstaven worden gedefinieerd (in de wapeningseigenschappen) die met de belasting wordt verbonden. Wanneer de verbonden wapening niet is gedefinieerd, is het belastingoverdrachtsmechanisme gelijk aan dat van een puntlast op het oppervlak van een staaf en wordt de belasting via de randvoorwaarden overgedragen naar de betonelementen, niet direct naar de wapening.

Hijsankers of hijsdeuvels kunnen worden gemodelleerd met een ophangbelasting (Fig. 8c). De gebruiker kan een gedeeltelijk belast oppervlak gebruiken (Fig. 8d), waarmee de draagcapaciteit van beton op druk kan worden verhoogd volgens Eurocode (dit type belastingoverdragende component kan niet worden gebruikt wanneer ACI is ingesteld). De constructie kan ook worden belast met lijnlasten op de randen, met een algemene polylijn of met oppervlaktelasten. De Detail applicatie kan het eigen gewicht automatisch in de berekening meenemen.
2.3 Krachtsoverdracht bij de afgesneden uiteinden van liggers
In veel gevallen hoeven we slechts een deel (detail) van een constructieve staaf te modelleren, zoals de oplegging van een ligger, een sparing midden in de ligger, enzovoort. Deze aanpak kan leiden tot opleggingsconfiguraties die instabiel zijn, maar toelaatbaar in IDEA StatiCa Detail (inclusief het geval zonder opleggingen). In dergelijke gevallen is het echter ook nodig om de doorsnede te modelleren die de verbinding met het aansluitende B-gebied vertegenwoordigt, inclusief de snedekrachten in deze doorsnede die aan het evenwicht voldoen. In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij het modelleren van de oplegging van een ligger) kunnen deze snedekrachten automatisch door het programma worden bepaald.
Tussen het B-gebied en het geanalyseerde discontinuïteitsgebied wordt automatisch een Saint-Venant overgangszone gecreëerd om een realistische spanningsverdeling in het geanalyseerde gebied te waarborgen. De breedte van de overgangszone wordt bepaald als de helft van de hoogte van de doorsnede. Omdat de Saint-Venant-zone uitsluitend dient om een correcte spanningsverdeling in de rest van het model te verkrijgen, worden er geen resultaten van dit gebied weergegeven in de toetsing en worden hier geen stopcriteria in beschouwd.
De rand van de Saint-Venant-zone die het afgesneden uiteinde van de ligger vertegenwoordigt, wordt als stijf gemodelleerd, dat wil zeggen dat deze kan roteren, maar vlak moet blijven. Dit wordt bereikt door alle FEM-knopen van de rand te koppelen aan een afzonderlijke knoop in het zwaartepunt van de doorsnede met behulp van een stijf lichaamselement (RBE2). De snedekrachten van het element kunnen vervolgens op deze knoop worden aangebracht, zoals weergegeven in Fig. 10.
2.4 Geometrische aanpassing van doorsneden
Reductie van de doorsnede wordt automatisch uitgevoerd voor constructies die zijn gedefinieerd als ligger of raamverbinding (gedefinieerd door de x-as en een doorsnede). Deze aanpassing wordt automatisch toegepast op doorsneden met zeer brede flenzen (Fig. 11) en is gebaseerd op de aanname dat een drukspanningsveld zich vanaf de wand onder een hoek van 45° uitbreidt, zodat de bovengenoemde gereduceerde breedte de maximale breedte is die belastingen kan overdragen
Houd er rekening mee dat de methode voor het bepalen van de effectieve flensbreedte die in CSFM is geïmplementeerd, afwijkt van de methode in 5.3.2.1 van EN 1992-1-1 (2015) of in 9.2.4.4 van ACI 318-19. Naast de geometrie wordt de effectieve flensbreedte volgens de Eurocode expliciet beïnvloed door de overspanningslengtes en de randvoorwaarden van een constructie.

Bij consoles die in het horizontale vlak liggen (Fig. 12), wordt elke console over zijn lengte verdeeld in vijf secties. Elk van deze secties wordt vervolgens gemodelleerd als een wand met een constante dikte, die gelijk is aan de werkelijke dikte in het midden van de betreffende sectie.

2.5 Typen eindige elementen
Het niet-lineaire (inelastische) eindige-elementenmodel wordt opgebouwd uit verschillende typen eindige elementen die worden gebruikt om beton, wapening en de aanhechting daartussen te modelleren. Beton- en wapeningselementen worden eerst onafhankelijk van elkaar gemesht en daarna met elkaar verbonden via multi-point randvoorwaarden (MPC-elementen). Hierdoor kan de wapening een willekeurige, relatieve positie ten opzichte van het beton innemen. Als de verankeringslengte moet worden getoetst, worden tussen de wapening en de MPC-elementen aanhechtings- en verankeringseindveerelementen ingevoegd.

Beton
Beton wordt gemodelleerd met vierhoekige en driehoekige schaalelementen, CQUAD4 en CTRIA3. Deze worden respectievelijk gedefinieerd door vier of drie knopen. In deze elementen wordt alleen een vlakspanningstoestand aangenomen, d.w.z. spanningen of rekken in de z-richting worden niet in rekening gebracht.
Elk element heeft vier of drie integratiepunten, die op ongeveer 1/4 van de elementafmeting zijn geplaatst. In elk integratiepunt van elk element worden de richtingen van de hoofdrekken α1, α2 berekend. In beide richtingen worden de hoofdspanningen σc1, σc2 en de stijfheden E1, E2 bepaald volgens het opgegeven spanning-rekdiagram van beton, zoals in Fig. 2. Houd er rekening mee dat het compression softening effect het gedrag in de hoofddrukrichting koppelt aan de actuele toestand in de andere hoofdrichting.
Wapening
Wapeningsstaven worden gemodelleerd met 1D-“staaf”-elementen met twee knopen (CROD), die alleen axiale stijfheid hebben. Deze elementen zijn verbonden met speciale “aanhechtingselementen”, die zijn ontwikkeld om het slipgedrag tussen een wapeningsstaaf en het omringende beton te modelleren. Deze aanhechtingselementen worden vervolgens met MPC-elementen (multi-point randvoorwaarden) verbonden met de mesh die het beton voorstelt. Deze aanpak maakt het onafhankelijk meshen van wapening en beton mogelijk, terwijl hun onderlinge verbinding achteraf wordt gewaarborgd.
Aanhechtingselementen
De verankeringslengte wordt getoetst door in het eindige-elementenmodel de aanhechtingsschuifspanningen tussen betonelementen (2D) en wapeningsstaafelementen (1D) te implementeren. Hiervoor is een eindig element van het type “aanhechting” ontwikkeld.
De definitie van het aanhechtingselement is vergelijkbaar met die van een schaalelement (CQUAD4). Het wordt eveneens door 4 knopen gedefinieerd, maar heeft, in tegenstelling tot een schaalelement, alleen een stijfheid ongelijk aan nul in afschuiving tussen de twee bovenste en de twee onderste knopen. In het model zijn de bovenste knopen verbonden met de elementen die de wapening voorstellen en de onderste knopen met de elementen die het beton voorstellen. Het gedrag van dit element wordt beschreven door de aanhechtingsspanning, τb, als bilineaire functie van de slip tussen de bovenste en onderste knopen, δu, zie Fig. 14.
De elastische stijfheidsmodulus van de aanhechting-slip-relatie, Gb, wordt als volgt gedefinieerd:
waarin:
kg coëfficiënt afhankelijk van het oppervlak van de wapeningsstaaf (standaard kg = 0,2)
Ec elasticiteitsmodulus van beton (genomen als Ecm bij EN)
Ø de diameter van de wapeningsstaaf
De rekenwaarden (gefactoreerde waarden) van de uiterste aanhechtingsschuifspanning, fbd, uit de geselecteerde rekennormen EN 1992-1-1 of ACI 318-19 worden gebruikt om de verankeringslengte te toetsen. De verharding van de plastische tak wordt standaard berekend als Gb/105.
Verankeringsveer
Het aanbrengen van verankeringseinden aan de wapeningsstaven (d.w.z. bochten, haken, lussen…), die voldoen aan de voorschriften van de rekennormen, maakt het mogelijk de basisverankeringslengte van de staven (lb,net) met een bepaalde factor β te verminderen (hieronder de ‘verankeringscoëfficiënt’ genoemd). De rekenwaarde van de verankeringslengte (lb) wordt dan als volgt berekend:
De beoogde reductie van lb,net is gelijkwaardig aan het activeren van de wapeningsstaaf aan zijn uiteinde tot een percentage van zijn maximale capaciteit, gegeven door de verankeringsreductiecoëfficiënt, zoals weergegeven in Fig. 15a.
De reductie van de verankeringslengte wordt in het eindige-elementenmodel opgenomen met een veerelement aan het uiteinde van de staaf (Fig. 15), dat wordt gedefinieerd door het constitutieve model in Fig. 15b. De maximale kracht die door deze veer wordt overgedragen (Fau) is:
waarin :
β de verankeringscoëfficiënt op basis van het verankeringstype,
As de doorsnede van de wapeningsstaaf,
fyd de rekenwaarde (gefactoreerde waarde) van de vloeigrens van de wapening.
2.6 Meshen
De eindige elementen zijn intern geïmplementeerd en het analysemodel wordt automatisch gegenereerd, zonder dat ervaren gebruikersinteractie nodig is. Een belangrijk onderdeel van dit proces is het meshen.
Beton
Alle betonnen staven worden samen gemesht. De applicatie berekent automatisch een aanbevolen elementgrootte op basis van de afmetingen en de vorm van de constructie, rekening houdend met de diameter van de grootste wapeningsstaaf. Bovendien garandeert de aanbevolen elementgrootte dat in dunne delen van de constructie, zoals slanke kolommen of dunne vloeren, minimaal 4 elementen worden gegenereerd. Zo zijn de resultaten in deze gebieden betrouwbaar. Het maximale aantal betonelementen is beperkt tot 5000. Deze waarde is voor de meeste constructies voldoende om de aanbevolen elementgrootte te realiseren. De ontwerper kan altijd een door de gebruiker gedefinieerde elementgrootte voor het beton kiezen door de vermenigvuldigingsfactor van de standaard meshgrootte aan te passen.
Wapening
De wapening wordt verdeeld in elementen met ongeveer dezelfde lengte als de elementgrootte van het beton. Zodra de meshes van de wapening en het beton zijn gegenereerd, worden ze met aanhechtingselementen met elkaar verbonden, zoals weergegeven in Fig. 13.
Oplegplaten
Hulponderdelen van de constructie, zoals oplegplaten, worden onafhankelijk gemesht. De grootte van deze elementen wordt berekend als 2/3 van de grootte van de betonelementen in het verbindingsgebied. De knopen van de mesh van de oplegplaat worden vervolgens met de randknopen van de betonmesh verbonden door middel van interpolatie-randvoorwaarde-elementen (RBE3).
Belastingen en opleggingen
Vlakbelastingen en vlakopleggingen worden alleen met de wapening verbonden, zoals weergegeven in Fig. 16. Daarom is het noodzakelijk om de wapening eromheen te definiëren. De verbinding met alle knopen van de wapening binnen de effectieve straal wordt gerealiseerd met RBE3-elementen met gelijke gewichtsfactor.

Lijnopleggingen en lijnbelastingen worden met RBE3-elementen verbonden met de knopen van de betonmesh, op basis van de opgegeven breedte of effectieve straal. De gewichtsfactor van de verbindingen is omgekeerd evenredig met de afstand tot de oplegging of het belastingsimpuls.
- Lees meer over de koppeling tussen afzonderlijke belastingen en de mesh in Algemene beschrijving van belastingsimpulsen in de Detail applicatie
2.7 Oplossingsmethode en belastingsgestuurd algoritme
Voor het oplossen van een niet-lineair EEM-probleem wordt een standaard volledig Newton-Raphson-algoritme (NR) gebruikt.
Over het algemeen convergeert het NR-algoritme vaak niet wanneer de volledige belasting in één stap wordt aangebracht. Een gebruikelijke aanpak, die ook hier wordt toegepast, is de belasting achtereenvolgens in meerdere incrementen aan te brengen en het resultaat van het vorige belastingsincrement te gebruiken als startpunt voor de Newton-oplossing van het volgende increment. Hiervoor is bovenop het Newton-Raphson-algoritme een belastingsgestuurd algoritme geïmplementeerd. Als de NR-iteraties niet convergeren, wordt het huidige belastingsincrement gehalveerd en worden de NR-iteraties opnieuw uitgevoerd.
Een tweede doel van het belastingsgestuurde algoritme is het bepalen van de kritieke belasting, die overeenkomt met bepaalde "stopcriteria". Dit zijn de maximale rek in het beton, de maximale slip in aanhechtingselementen, de maximale verplaatsing in verankeringselementen en de maximale rek in wapeningsstaven. De kritieke belasting wordt bepaald met de bisectiemethode. Als het stopcriterium ergens in het model wordt overschreden, worden de resultaten van het laatste belastingsincrement verworpen en wordt een nieuw increment berekend dat half zo groot is als het vorige. Dit proces wordt herhaald totdat de kritieke belasting is gevonden binnen een bepaalde foutentolerantie.
Voor beton is het stopcriterium in de integratiepunten van schaalelementen ingesteld op een rek van 5% in druk (dus ongeveer een orde van grootte groter dan de werkelijke bezwijkrek van beton) en 7% in trek. In trek is de waarde zo gekozen dat eerst de grensrek van de wapening kan worden bereikt, die zonder rekening te houden met tension stiffening meestal rond 5% ligt. In druk is de waarde gekozen uit meerdere alternatieven als een waarde die groot genoeg is om de effecten van verbrijzelen zichtbaar te maken in de resultaten, maar klein genoeg om niet te veel problemen met de numerieke stabiliteit te veroorzaken.
Voor wapening is het stopcriterium gedefinieerd in termen van spanningen. Omdat de spanningen ter plaatse van de scheur worden gemodelleerd, komt het criterium in trek overeen met de treksterkte van de wapening, rekening houdend met de veiligheidscoëfficiënt. Dezelfde waarde wordt gebruikt voor het criterium in druk.
Het stopcriterium in aanhechtingselementen en verankeringsveren is α·δumax, waarbij δumax de maximale slip is die in normtoetsingen wordt gebruikt en α = 10.
2.8 Presentatie van resultaten
Resultaten worden onafhankelijk gepresenteerd voor beton en voor wapeningselementen. De spannings- en rekwaarden in het beton worden berekend in de integratiepunten van de schaalelementen. Aangezien het echter niet praktisch is om de gegevens op deze wijze te presenteren, worden de resultaten standaard weergegeven in knopen, als de maximale waarde van de drukspanning uit aangrenzende Gauss-integratiepunten in verbonden elementen (Afb. 18). Opgemerkt moet worden dat deze weergave de resultaten lokaal kan onderschatten aan de gedrukte randen van staven, indien de afmeting van het eindige element vergelijkbaar is met de hoogte van de drukzone.
Afb. 18 - Eindig element van beton met integratiepunten en knopen: presentatie van de resultaten voor beton in knopen en in eindige elementen.
De resultaten voor de eindige elementen van de wapening zijn ofwel constant per element (één waarde – bijv. voor staalspanningen) of lineair (twee waarden – voor aanhechtingsresultaten). Voor hulpelementen, zoals elementen van oplegplaten, worden alleen vervormingen gepresenteerd.
3 Modelverificatie
3.1 Grenstoestanden en berekening van de scheurwijdte
De beoordeling van de constructie met de CSFM gebeurt met twee verschillende analyses: één voor de belastingcombinaties in de bruikbaarheidsgrenstoestand en één voor die in de uiterste grenstoestand. De bruikbaarheidsanalyse gaat ervan uit dat het uiterste gedrag van het element voldoende is en dat de vloeivoorwaarden van het materiaal bij belastingen in de bruikbaarheidsgrenstoestand niet worden bereikt. Deze benadering maakt het mogelijk om voor de bruikbaarheidsanalyse vereenvoudigde constitutieve modellen te gebruiken (met een lineaire tak van het spanning-rekdiagram van beton). Dit verbetert de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid. Daarom wordt aanbevolen de hieronder beschreven werkwijze te volgen, waarbij de analyse in de uiterste grenstoestand als eerste stap wordt uitgevoerd.
Analyse in de uiterste grenstoestand
De verschillende toetsingen die door specifieke normen worden vereist, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De UGT-toetsingen worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de sterkte van de wapening en de verankering (afschuifspanningen in de aanhechting).
Om een efficiënt ontwerp van een constructief element te waarborgen, wordt sterk aanbevolen een voorafgaande analyse uit te voeren met de volgende stappen:
- Kies een selectie van de meest kritieke belastingcombinaties.
- Bereken alleen de belastingcombinaties voor de uiterste grenstoestand (UGT).
- Gebruik een grof mesh (door de vermenigvuldigingsfactor van de standaard meshgrootte in Setup te verhogen (Fig. 19)).
Een dergelijk model rekent zeer snel. Ontwerpers kunnen hiermee de detaillering van het constructieve element efficiënt beoordelen en de analyse opnieuw uitvoeren totdat aan alle toetsingseisen voor de meest kritieke belastingcombinaties is voldaan. Zodra aan alle toetsingseisen van deze voorafgaande analyse is voldaan, wordt aanbevolen de volledige belastingcombinaties voor de uiterste grenstoestand mee te nemen en een fijne meshgrootte te gebruiken (de meshgrootte die door het programma wordt aanbevolen). De gebruiker kan de meshgrootte wijzigen met de vermenigvuldigingsfactor, die waarden van 0,5 tot 5 kan aannemen (Fig. 19).
De basisresultaten en toetsingen (spanning, rek en benuttingsgraad (d.w.z. de berekende waarde/grenswaarde uit de norm), evenals de richting van de hoofdspanningen bij betonnen elementen) worden weergegeven in verschillende grafieken, waarin druk over het algemeen rood en trek blauw wordt weergegeven. Globale minimum- en maximumwaarden voor de gehele constructie kunnen worden gemarkeerd, evenals minimum- en maximumwaarden voor elk door de gebruiker gedefinieerd deel. In een apart tabblad van het programma kunnen geavanceerde resultaten worden weergegeven, zoals tensorwaarden, vervormingen van de constructie en wapeningspercentages (effectief en geometrisch) die worden gebruikt voor het berekenen van de tension stiffening van wapeningsstaven. Verder kunnen belastingen en reacties voor geselecteerde combinaties of belastinggevallen worden getoond.
Analyse in de bruikbaarheidsgrenstoestand
De BGT-beoordelingen worden uitgevoerd voor de spanningsbegrenzing, de scheurwijdte en de grenswaarden voor doorbuiging. De spanningen in beton en wapening worden getoetst volgens de van toepassing zijnde norm, op een vergelijkbare manier als voor de UGT is gespecificeerd.
De bruikbaarheidsanalyse bevat bepaalde vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die worden gebruikt voor de analyse in de uiterste grenstoestand. Er wordt uitgegaan van een perfecte aanhechting, d.w.z. de verankeringslengte wordt in de bruikbaarheidsgrenstoestand niet getoetst. Verder wordt de plastische tak van de spanning-rekkromme van beton op druk buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en doen geen afbreuk aan de algemeenheid van de oplossing, zolang de resulterende materiaalspanningen in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder hun vloeigrens liggen (zoals vereist door de normen). De vereenvoudigde modellen die voor de bruikbaarheidsgrenstoestand worden gebruikt, zijn daarom alleen geldig als aan alle toetsingseisen is voldaan.
Berekening van scheurwijdte en tension stiffening
Berekening van scheurwijdte
Er zijn twee manieren om scheurwijdtes te berekenen - gestabiliseerde en niet-gestabiliseerde scheurvorming. Aan de hand van de geometrische wapeningsverhouding in elk deel van de constructie wordt bepaald welk type scheurberekeningsmodel wordt gebruikt (TCM voor gestabiliseerde scheurvorming en POM voor het niet-gestabiliseerde scheurvormingsmodel).
Terwijl het CSFM voor de meeste verificaties (bijv. staafcapaciteit, doorbuigingen…) een direct resultaat oplevert, worden de scheurwijdteresultaten berekend op basis van de wapeningsrekresultaten die rechtstreeks door de EEM-analyse worden geleverd, volgens de methodiek beschreven in Fig. 20. Er wordt een scheurkinematica zonder slip (zuivere scheuropening) beschouwd (Fig. 20a), wat consistent is met de belangrijkste aannames van het model. De hoofdrichtingen van spanningen en rekken bepalen de hellingshoek van de scheuren (θr = θs= θe). Volgens (Fig. 20b) kan de scheurwijdte (w) worden geprojecteerd in de richting van de wapeningsstaaf (wb), wat leidt tot:
waarbij θb de hellingshoek van de staaf is.
Merk op dat het programma waarden van θr en θb < π/2 weergeeft. Dit betekent dat de voorgaande vergelijking werkt voor gevallen waarin de wapening en de scheur door verschillende kwadranten van het cartesische coördinatensysteem lopen, zoals getoond in Fig. 20, waarbij de wapening door het I. en III. kwadrant loopt en de scheur door het II. en IV. Voor gevallen waarin de wapening en de scheur door dezelfde kwadranten lopen, moet de vergelijking als volgt worden aangepast:
De component wb wordt consistent berekend op basis van de tension stiffening-modellen door de wapeningsrekken te integreren. Voor de gebieden met volledig ontwikkelde scheurpatronen worden de berekende gemiddelde rekken (em) langs de wapeningsstaven direct geïntegreerd over de scheurafstand (sr), zoals aangegeven in (Fig. 20c). Hoewel deze benadering voor het berekenen van de scheurrichtingen niet overeenkomt met de werkelijke positie van de scheuren, levert deze toch representatieve waarden op die leiden tot scheurwijdteresultaten die vergeleken kunnen worden met de door de norm vereiste scheurwijdtewaarden ter plaatse van de wapeningsstaaf.
Speciale situaties worden waargenomen bij concave hoeken van de berekende constructie. In dit geval bepaalt de hoek vooraf de positie van een enkele scheur die zich op een niet-gestabiliseerde manier gedraagt voordat er aanvullende aangrenzende scheuren ontstaan. Deze aanvullende scheuren ontstaan doorgaans pas na het bruikbaarheidsbereik (Mata-Falcón 2015), wat rechtvaardigt dat de scheurwijdtes in een dergelijk gebied worden berekend alsof ze niet-gestabiliseerd zijn (Fig. 21).

Tension stiffening
De implementatie van tension stiffening maakt onderscheid tussen gevallen van gestabiliseerde en niet-gestabiliseerde scheurpatronen. In beide gevallen wordt het beton standaard beschouwd als volledig gescheurd vóór belasting.
Gestabiliseerde scheurvorming
Bij volledig ontwikkelde scheurpatronen wordt tension stiffening geïntroduceerd met behulp van het Tension Chord Model (TCM) (Marti et al. 1998; Alvarez 1998) – Fig. 22a – waarvan is aangetoond dat het, ondanks de eenvoud ervan, uitstekende voorspellingen van het gedrag oplevert (Burns 2012). Het TCM gaat uit van een getrapte, star-perfect plastische relatie tussen de aanhechtingsschuifspanning en de slip, met τb = τb0 =2 fctm voor σs ≤ fy en τb =τb1 = fctm voor σs > fy. Door elke wapeningsstaaf te behandelen als een trekstaaf (tension chord) – Fig. 22b en Fig. 22a – kan de verdeling van de aanhechtingsschuifspanning, de staal- en betonspanningen en dus de rekverdeling tussen twee scheuren worden bepaald voor elke gegeven waarde van de maximale staalspanningen (of rekken) bij de scheuren.
Voor sr = sr0 kan er al dan niet een nieuwe scheur ontstaan, omdat in het midden tussen twee scheuren σc1 = fct. Bijgevolg kan de scheurafstand variëren met een factor twee, d.w.z. sr = λsr0, met l = 0,5…1,0. Uitgaande van een bepaalde waarde voor λ kan de gemiddelde rek van de trekstaaf (εm) worden uitgedrukt als functie van de maximale wapeningsspanningen (d.w.z. de spanningen bij de scheuren, σsr). Voor het geïdealiseerde bilineaire spanning-rekdiagram van de blanke wapeningsstaven dat standaard in het CSFM wordt beschouwd, worden de volgende gesloten analytische uitdrukkingen verkregen (Marti et al. 1998):
waarbij:
Esh de verhardingsmodulus van het staal Esh = (ft – fy)/(εu – fy /Es) ,
Es elasticiteitsmodulus van de wapening,
Ø diameter van de wapeningsstaaf,
sr scheurafstand,
σsr wapeningsspanningen bij de scheuren,
σs werkelijke wapeningsspanningen,
fy vloeigrens van de wapening.
De implementatie van het CSFM in IDEA StatiCa Detail houdt standaard rekening met de gemiddelde scheurafstand bij het uitvoeren van de computerondersteunde spanningsveldanalyse. De gemiddelde scheurafstand wordt beschouwd als 2/3 van de maximale scheurafstand (λ = 0,67), wat overeenkomt met aanbevelingen die zijn gedaan op basis van buig- en trekproeven (Broms 1965; Beeby 1979; Meier 1983). Er dient te worden opgemerkt dat bij de berekening van scheurwijdtes wordt uitgegaan van een maximale scheurafstand (λ = 1,0) om conservatieve waarden te verkrijgen.
De toepassing van het TCM is afhankelijk van de wapeningsverhouding, en daarom is de toewijzing van een geschikt betonoppervlak dat in trek werkt tussen de scheuren aan elke wapeningsstaaf van cruciaal belang. Er is een automatische numerieke procedure ontwikkeld om de bijbehorende effectieve wapeningsverhouding (ρeff = As/Ac,eff) voor elke configuratie, inclusief scheve wapening (Fig. 23).

Niet-gestabiliseerde scheurvorming
Scheuren die aanwezig zijn in gebieden met geometrische wapeningsverhoudingen lager dan ρcr, d.w.z. de minimale hoeveelheid wapening waarbij de wapening de scheurbelasting kan dragen zonder te vloeien, ontstaan door niet-mechanische invloeden (bijv. krimp) of door de voortzetting van scheuren die door andere wapening worden beheerst. De waarde van deze minimale wapening wordt als volgt bepaald:
waarbij:
fy vloeigrens van de wapening,
fct treksterkte van het beton,
n verhoudingsgetal (modular ratio), n = Es / Ec .
Voor conventioneel beton en wapeningsstaal bedraagt ρcr ongeveer 0,6%.
Voor beugels met wapeningsverhoudingen onder ρcr wordt de scheurvorming beschouwd als niet-gestabiliseerd en wordt tension stiffening geïmplementeerd door middel van het Pull-Out Model (POM), beschreven in Fig. 22b. Dit model analyseert het gedrag van een enkele scheur zonder mechanische interactie tussen afzonderlijke scheuren, waarbij de vervormbaarheid van het beton in trek wordt verwaarloosd en dezelfde getrapte, star-perfect plastische relatie tussen aanhechtingsschuifspanning en slip wordt aangenomen als bij het TCM. Hierdoor kan de wapeningsrekverdeling (εs) in de omgeving van de scheur rechtstreeks uit evenwicht worden bepaald voor elke maximale staalspanning bij de scheur (σsr). Aangezien de scheurafstand onbekend is voor een niet volledig ontwikkeld scheurpatroon, wordt de gemiddelde rek (εm) voor elk belastingsniveau berekend over de afstand tussen punten met nulslip wanneer de wapeningsstaaf zijn treksterkte (ft) bereikt bij de scheur (lε,avg in Fig. 22b), wat leidt tot de volgende relaties:
De voorgestelde modellen maken het mogelijk het gedrag van verankerde wapening te berekenen, wat uiteindelijk in de analyse wordt meegenomen. Dit gedrag (inclusief tension stiffening) voor het meest voorkomende Europese wapeningsstaal (B500B, met ft / fy = 1,08 en εu = 5%) wordt geïllustreerd in Fig. 22c-d.
4 Constructieve toetsingen volgens Eurocode
De beoordeling van de constructie met CSFM wordt uitgevoerd met twee verschillende analyses: één voor de bruikbaarheid en één voor de belastingcombinaties in de uiterste grenstoestand. De bruikbaarheidsanalyse gaat ervan uit dat het uiterste gedrag van het element voldoende is en dat de vloeicriteria van het materiaal bij belastingen op bruikbaarheidsniveau niet worden bereikt. Deze aanpak maakt het mogelijk om vereenvoudigde constitutieve modellen (met een lineaire tak van het spanning-rekdiagram van beton) te gebruiken voor de bruikbaarheidsanalyse. Dit verbetert de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid.
4.1 Materiaalmodellen (EN)
Beton - UGT
Het betonmodel dat in de CSFM is geïmplementeerd, is gebaseerd op de eenassige constitutieve wetten voor druk uit EN 1992-1-1 voor het ontwerp van doorsneden, die alleen afhangen van de druksterkte. In de CSFM wordt standaard het parabool-rechthoekdiagram gebruikt dat is gespecificeerd in EN 1992-1-1 Art. 3.1.7 (1) (Fig. 24a). Ontwerpers kunnen ook kiezen voor een vereenvoudigde elastisch-ideaal-plastische relatie volgens EN 1992-1-1 Art. 3.1.7 (2) (Fig. 24b). De treksterkte wordt verwaarloosd, zoals gebruikelijk is bij het klassieke ontwerp van gewapend beton.
De implementatie van de CSFM in IDEA StatiCa Detail houdt geen rekening met een expliciet bezwijkcriterium in termen van rek voor beton onder druk. Na het bereiken van de piekspanning wordt een plastische tak aangehouden met εcu2 (εcu3) met een waarde van 5%, terwijl EN 1992-1-1 uitgaat van een uiterste rek kleiner dan 0,35%. Door deze vereenvoudiging kan het vervormingsvermogen van constructies die onder druk bezwijken niet worden getoetst. Hun uiterste capaciteit fcd volgens EN 1992-1-1 3.1.3 wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2, gedefinieerd in (Fig. 25)), ook de toename van de brosheid van beton bij hogere sterkte in rekening wordt gebracht via de reductiefactor uit fib Model Code 2010, als volgt:
waarin:
αcc de coëfficiënt is die rekening houdt met langetermijneffecten op de druksterkte en met ongunstige effecten die voortvloeien uit de wijze van belasten. Deze is conform EN 1992-1-1 Art. 3.1.6 (1). De standaardwaarde is 1,0.
kc de globale reductiefactor van de druksterkte is
kc2 de reductiefactor is vanwege de aanwezigheid van dwarsscheuren
fck de karakteristieke cilindersterkte van het beton is (in MPa voor de definitie van ).
Beton - BGT
De bruikbaarheidsanalyse bevat enkele vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die worden gebruikt voor de analyse in de uiterste grenstoestand. De plastische tak van de spanning-rekcurve van beton onder druk wordt buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. De compression softening wet wordt niet in rekening gebracht. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en verminderen de algemeenheid van de oplossing niet, zolang de resulterende spanningsgrenzen van het materiaal in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder hun vloeigrens liggen (zoals vereist door Eurocode). De vereenvoudigde modellen voor de bruikbaarheid zijn daarom alleen geldig als aan alle toetsingseisen wordt voldaan.

Langetermijneffecten
In de bruikbaarheidsanalyse worden de langetermijneffecten van beton in rekening gebracht met een effectieve kruipcoëfficiënt voor oneindige tijd (, standaard genomen als 2,5). Deze past de secant elasticiteitsmodulus van beton (Ecm) als volgt aan, conform EN 1992-1-1, paragraaf 3.1.4 (3) resp. 7.4.3 (5):
Bij het in rekening brengen van langetermijneffecten wordt eerst een belaststap met alle permanente belastingen berekend met de kruipcoëfficiënt (dus met de effectieve elasticiteitsmodulus van beton, Ec,eff), en daarna worden de aanvullende belastingen berekend zonder kruipcoëfficiënt (dus met Ecm). Om de kortetermijntoetsingen uit te voeren, wordt bovendien een aparte berekening uitgevoerd waarin alle belastingen zonder kruipcoëfficiënt worden berekend. Beide berekeningen voor de lange- en kortetermijntoetsingen zijn weergegeven in Fig. 26.
Kruipfactoren worden door de gebruiker gedefinieerd in de materiaaleigenschappen en moeten worden berekend volgens EN 1992-1-1, Fig 3.1.
Wapening
Standaard wordt het geïdealiseerde bilineaire spanning-rekdiagram voor blanke wapeningsstaven gebruikt dat is gedefinieerd in EN 1992-1-1, paragraaf 3.2.7 (Fig. 27). Voor de definitie van dit diagram zijn tijdens de ontwerpfase alleen de basiseigenschappen van de wapening nodig (sterkte- en ductiliteitsklasse). Wanneer bekend, kan de werkelijke spanning-rekrelatie van de wapening (warmgewalst, koudvervormd, afgeschrikt en zelfontlaten, …) worden toegepast. Het spanning-rekdiagram van de wapening kan door de gebruiker worden gedefinieerd, maar in dat geval kan het tension stiffening effect niet worden aangehouden (de scheurwijdte kan dan niet worden berekend). Het gebruik van het spanning-rekdiagram met een horizontale bovenste tak maakt een toetsing van de constructieve duurzaamheid niet mogelijk. Daarom is een handmatige toetsing van de standaard ductiliteitseisen noodzakelijk.
Tension stiffening (Fig. 28) wordt automatisch in rekening gebracht door de spanning-rekrelatie van de blanke wapeningsstaaf aan te passen, zodat de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven (εm) wordt weergegeven.
4.2 Veiligheidsfactoren
De Compatible Stress Field Method voldoet aan moderne normen. Omdat de rekenmodellen uitsluitend standaard materiaaleigenschappen gebruiken, kan het in de normen voorgeschreven formaat met partiële veiligheidsfactoren zonder aanpassing worden toegepast. Hierbij worden de invoerbelastingen vermenigvuldigd met factoren en worden de karakteristieke materiaaleigenschappen gereduceerd met de respectieve veiligheidscoëfficiënten uit de normen, precies zoals bij een conventionele betonberekening. De waarden van de materiaalveiligheidsfactoren die zijn voorgeschreven in EN 1992-1-1, hoofdstuk 2.4.2.4, zijn standaard ingesteld. De gebruiker kan de veiligheidsfactoren echter wijzigen in de Norm- en rekeninstellingen (Fig. 29).

De belastingveiligheidsfactoren moeten door de gebruiker worden gedefinieerd in de Combinatieregels voor elke niet-lineaire combinatie van belastingsgevallen (Fig. 30). Voor alle templates die in Idea StatiCa Detail zijn geïmplementeerd, zijn de partiële veiligheidsfactoren al vooraf gedefinieerd.

Door geschikte, door de gebruiker gedefinieerde combinaties van partiële veiligheidsfactoren te gebruiken, kunnen gebruikers met de CSFM ook rekenen volgens de globale weerstandsfactormethode (Navrátil et al. 2017). Deze aanpak wordt in de ontwerppraktijk echter nauwelijks toegepast. Sommige richtlijnen bevelen de globale weerstandsfactormethode aan voor niet-lineaire berekeningen. Bij vereenvoudigde niet-lineaire berekeningen (zoals de CSFM), waarvoor alleen de materiaaleigenschappen nodig zijn die ook bij conventionele handberekeningen worden gebruikt, verdient het formaat met partiële veiligheidsfactoren nog steeds de voorkeur.
4.3 Analyse van de uiterste grenstoestand
De verschillende toetsingen die EN 1992-1-1 vereist, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De UGT-toetsingen worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de wapeningssterkte en de verankering (aanhechtingsschuifspanningen).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning σc = σc2 uit de EEM-analyse en de grenswaarde σc,lim = fcd.
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening bij de scheuren σsr en de opgegeven grenswaarde σs,lim:
waarin:
fyk de vloeigrens van de wapening volgens EN 1992-1-1 art. 3.2.3,
k de verhouding tussen de treksterkte ftk en de vloeispanning,
γs de partiële veiligheidsfactor voor wapening is
De aanhechtingsschuifspanning wordt afzonderlijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtingsspanning τb, berekend met de EEM-analyse, en de uiterste aanhechtingssterkte fbd, volgens EN 1992-1-1 hoofdstuk 8.4.2:
waarin:
fctd de rekenwaarde van de betontreksterkte is volgens EN 1992-1-1 art. 3.1.6 (2). Vanwege de toenemende brosheid van beton met hogere sterkte wordt fctk,0.05 begrensd tot de waarde voor C60/75 volgens EN 1992-1-1 art. 8.4.2 (2)
η1 een coëfficiënt is die samenhangt met de kwaliteit van de aanhechtingsomstandigheden en de positie van de staaf tijdens het storten (Fig. 31).
η1 = 1,0 bij ‘goede’ omstandigheden en
η1 = 0,7 in alle andere gevallen en voor staven in constructieve elementen die met glijbekisting zijn vervaardigd, tenzij kan worden aangetoond dat ‘goede’ aanhechtingsomstandigheden bestaan
η2 samenhangt met de staafdiameter:
η2 = 1,0 voor Ø ≤ 32 mm
η2 = (132 - Ø)/100 voor Ø > 32 mm
In IDEA StatiCa Detail worden de aanhechtingsomstandigheden meegenomen volgens Fig. 31 c) en d). De stortrichting kan in de applicatie voor elk projectitem als volgt worden ingesteld.

Deze toetsingen worden uitgevoerd ten opzichte van de passende grenswaarden voor de betreffende delen van de constructie (d.w.z. ondanks dat er voor zowel het beton als het wapeningsmateriaal één enkele sterkteklasse geldt, verschillen de uiteindelijke spanning-rek-diagrammen per deel van de constructie door de effecten van tension stiffening en compression softening).
Het is ook mogelijk om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie vindt u hier: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden bepaald.
waarin As de doorsnede van de wapeningsstaaf is en σs de spanning in de staaf.
Of als de som van de verankeringskracht Fa en de aanhechtingskracht Fbond.
waarin Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtingskracht, die kan worden verkregen door de aanhechtingsspanning τb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de uiterste sterkte van de wapeningsstaaf en met de verankeringsomstandigheden (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enz.).
waarin Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarin Flim,add de aanvullende kracht is, berekend uit de grootte van de hoek tussen naburige elementen. Flim,2 moet altijd lager zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen in de CSFM omvatten een rechte staaf (d.w.z. zonder reductie van het ankereinde), bocht, haak, lus, aangelaste dwarsstaaf, perfecte aanhechting en doorgaande staaf. Al deze typen, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, zijn weergegeven in Fig. 32 voor langswapening en in Fig. 33 voor beugels. De waarden van de toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn in overeenstemming met EN 1992-1-1 paragraaf 8.4.4 Tab. 8.2. Opgemerkt moet worden dat de CSFM, ondanks de verschillende beschikbare opties, drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 30 % van de verankeringslengte bij een genormaliseerde verankering en (iii) perfecte aanhechting.


Om aan EN 1992-1-1 te voldoen, moet de verankeringsveer in de berekening worden gebruikt. De verankeringsveer wordt aangepast met de coëfficiënt β, zodat de gebruiker bij het definiëren van de begin- en eindvoorwaarden van de wapening een van de beschikbare verankeringstypen moet kiezen.
4.4 Gedeeltelijk belaste oppervlakken (PLA)
Bij het ontwerpen van betonconstructies komen we twee grote groepen gedeeltelijk belaste oppervlakken (PLA) tegen. De eerste groep omvat oplegingen, de tweede groep verankeringsgebieden. Volgens de huidige normen voor het ontwerp van gewapende betonconstructies, EN 1992-1-1 hoofdstuk 6.7 (Fig. 34), moeten bij gedeeltelijk belaste oppervlakken het lokaal verbrijzelen van beton en dwarse trekkrachten worden beschouwd. Bij een gelijkmatig verdeelde belasting op een oppervlak, Ac0, mag de drukcapaciteit van het beton tot maximaal drie keer worden verhoogd, afhankelijk van het rekenkundige verdelingsoppervlak Ac1.
Het gedeeltelijk belaste oppervlak moet voldoende worden voorzien van dwarswapening, ontworpen om de optredende splijtkrachten over te dragen. Voor het ontwerp van de dwarswapening in gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt volgens de Eurocode de Staafwerk-methode gebruikt. Zonder de vereiste dwarswapening is het niet toegestaan om een verhoging van de drukcapaciteit van het beton in rekening te brengen.
Gedeeltelijk belaste oppervlakken in de CSFM
Met de CSFM is het mogelijk om gewapende betonconstructies te ontwerpen en te toetsen, waarbij ook de invloed van de toenemende drukweerstand van beton in gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt meegenomen. Omdat de CSFM een wandmodel (2D) is en gedeeltelijk belaste oppervlakken een ruimtelijk (3D) vraagstuk vormen, was het nodig een oplossing te vinden die deze twee verschillende typen vraagstukken combineert (Fig. 35). Als de functie "gedeeltelijk belaste oppervlakken" is geactiveerd, wordt de toelaatbare kegelgeometrie opgebouwd volgens de Eurocode (Fig. 34). Alle geometrische botsingen worden volledig in 3D opgelost voor de opgegeven geometrie van de betonnen staaf en de afmetingen van elk PLA. Vervolgens wordt een rekenmodel van het gedeeltelijk belaste oppervlak gegenereerd.

Het aanpassen van het materiaalmodel bleek een ongeschikte aanpak, vooral omdat het toewijzen van eigenschappen aan het eindige-elementenmesh problematisch is. Vastgesteld werd dat een aanpak die onafhankelijk is van het eindige-elementenmesh een geschiktere oplossing is. Voor de bekende geometrie van de drukkegel worden volledig samenhangende fictieve drukdiagonalen gegenereerd (Fig. 35 en Fig. 37). Deze drukdiagonalen hebben dezelfde materiaaleigenschappen als het beton dat in het model wordt gebruikt, inclusief het spanning-rek diagram. De vorm van de kegel bepaalt de richting van de drukdiagonalen, die de belasting geleidelijk vanaf het PLA over het rekenkundige verdelingsoppervlak spreiden. De oppervlaktedichtheid van de fictieve drukdiagonalen varieert in elk deel van de kegel en voegt een fictief betonoppervlak toe in de belastingsrichting. Op het niveau van het belaste oppervlak (Ac0) wordt een fictief betonoppervlak toegevoegd volgens de verhouding (waarbij Areal het oppervlak van de oplegging is zoals aangenomen in het 2D-rekenmodel). Dit oppervlak neemt lineair af tot nul in de richting van het rekenkundige verdelingsoppervlak (Ac1). Deze oplossing zorgt ervoor dat de drukspanning in het beton constant is over het gehele kegelvolume.
De weerstand van het gedeeltelijk belaste oppervlak wordt verhoogd volgens de verhouding tussen het rekenkundige verdelingsoppervlak en het belaste oppervlak, zoals vastgelegd in EN 1992-1-1 (6.7). Houd er rekening mee dat dit een rekenmodel is dat de spanningstoestand over een gedeeltelijk belast oppervlak, waarvan de werkelijke krachtsafdracht veel complexer is, niet exact kan beschrijven. Deze oplossing maakt echter een correcte verdeling van de belasting over het hele model mogelijk, met inachtneming van de verhoogde draagcapaciteit van het gedeeltelijk belaste oppervlak. Bovendien worden hiermee de dwarsspanningen in dit gebied correct geïntroduceerd.
Wanneer de functie Gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt gebruikt om de toename van de drukcapaciteit van beton te simuleren, moet de normtoetsing afzonderlijk worden uitgevoerd volgens EN 1992-1-1, paragraaf 6.7 (2). De dwarse trekkrachten (splijtkrachten) die door de wapening worden overgedragen, worden automatisch getoetst.
4.5 Analyse van de bruikbaarheidsgrenstoestand
BGT-toetsingen worden uitgevoerd voor spanningsbegrenzing, scheurwijdte en de grenswaarden voor doorbuiging. Spanningen worden in beton- en wapeningselementen getoetst volgens EN 1992-1-1, op vergelijkbare wijze als voor de UGT.
Spanningsbegrenzing
De drukspanning in het beton moet worden beperkt om langsscheuren te voorkomen. Volgens EN 1992-1-1 hoofdstuk 7.2 (2) kunnen langsscheuren ontstaan als het spanningsniveau onder de karakteristieke belastingcombinatie een waarde k1fck overschrijdt. De betonspanning in druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofdspanning in druk σc = σc2 uit de EEM-analyse voor de bruikbaarheidsgrenstoestanden en de grenswaarde σc,lim. Dan geldt:
waarin:
fck karakteristieke cilinderdruksterkte van het beton,
k1 =0,6.
Als de spanning in het beton onder de quasi-permanente belastingen kleiner is dan k2fck volgens EN 1992-1-1 art. 7.2(3), mag lineaire kruip worden aangenomen. Als de spanning in het beton k2fck overschrijdt, moet niet-lineaire kruip in rekening worden gebracht (zie EN 1992-1-1 art. 3.1.4). In IDEA StatiCa Detail kan alleen lineaire kruip volgens EN 1992-1-1 art. 3.1.4 (3) worden aangenomen (zie Materiaalmodellen (EN)).
Onaanvaardbare scheurvorming of vervorming mag als vermeden worden beschouwd als de trekspanning in de wapening onder de karakteristieke belastingcombinatie niet groter is dan k3fyk (EN 1992-1-1 hoofdstuk 7.2 (5)). De sterkte van de wapening wordt bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening ter plaatse van de scheuren σs = σsr en de opgegeven grenswaarde σs,lim:
waarin:
fyk vloeigrens van de wapening,
k3 =0,8.
Doorbuiging
Doorbuigingen kunnen alleen worden getoetst voor wanden of voor isostatische (statisch bepaalde) of hyperstatische (statisch onbepaalde) liggers. In deze gevallen wordt de absolute waarde van de doorbuigingen beschouwd (ten opzichte van de beginsituatie vóór belasting) en moet de maximaal toelaatbare doorbuiging door de gebruiker worden ingesteld. Doorbuigingen bij afgesneden uiteinden kunnen niet worden getoetst, omdat dit in wezen instabiele constructies zijn waarbij het evenwicht wordt verkregen door het toevoegen van eindkrachten, waardoor de doorbuigingen onrealistisch zijn. De korte-termijndoorbuiging uz,st of lange-termijndoorbuiging uz,lt kan worden berekend en getoetst aan door de gebruiker gedefinieerde grenswaarden:
waarin:
uz doorbuiging op korte of lange termijn, berekend met EEM-analyse,
uz,lim door de gebruiker gedefinieerde grenswaarde van de doorbuiging.
Scheurwijdte
Scheurwijdten en scheurrichtingen worden alleen berekend voor langetermijneffecten (met Ec,eff) voor combinaties waarvoor de scheurwijdtebepaling is ingeschakeld. Toetsingen op basis van door de gebruiker opgegeven grenswaarden conform Eurocode worden als volgt weergegeven:
waarin:
w scheurwijdte, berekend met EEM-analyse,
wlim door de gebruiker gedefinieerde grenswaarde van de scheurwijdte.
Er zijn twee manieren om scheurwijdten te berekenen (gestabiliseerde en niet-gestabiliseerde scheurvorming). In het algemene geval (gestabiliseerde scheurvorming) wordt de scheurwijdte berekend door de rekken op 1D-elementen van de wapeningsstaven te integreren. De scheurrichting wordt vervolgens berekend uit de drie dichtstbijzijnde integratiepunten van 2D-betonelementen (vanaf het midden van het betreffende 1D-eindige element van de wapening). Hoewel deze benadering voor het berekenen van de scheurrichtingen niet overeenkomt met de werkelijke positie van de scheuren, levert zij toch representatieve waarden op, waarmee scheurwijdteresultaten worden verkregen die kunnen worden vergeleken met de door de norm vereiste scheurwijdten ter plaatse van de wapeningsstaaf.
5 Constructieve toetsingen volgens ACI 318-19
De beoordeling van de constructie met de CSFM wordt uitgevoerd met twee verschillende analyses: één voor de bruikbaarheid en één voor de sterktebelastingcombinaties. De bruikbaarheidsanalyse gaat ervan uit dat het gedrag onder gefactoreerde belastingen voldoende is en dat de vloeicriteria van het materiaal bij belastingen op bruikbaarheidsniveau niet worden bereikt. Deze aanpak maakt het mogelijk om vereenvoudigde constitutieve modellen (met een lineaire tak van het spanning-rekdiagram van beton) te gebruiken voor de bruikbaarheidsanalyse. Dit verbetert de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid.
CSFM is in overeenstemming met ACI 318-19, hoofdstuk 6.8.1.1. Om te voldoen aan de eisen van ACI 318-19, sectie 6.8.1.2, zijn aan diverse universiteiten uitgebreide verificatietests uitgevoerd. Afzonderlijke artikelen waarin de resultaten van verificatie en validatie zijn samengevat, zijn te vinden via de volgende link.
5.1 Materiaalmodellen (ACI)
Beton - Sterkte
Het betonmodel dat voor sterkteberekeningen in CSFM is geïmplementeerd, is gebaseerd op de parabolisch-plastische spanning-rek-curve voor beton van de Portland Cement Association, beschreven in PCA's Notes on ACI 318-99 Building Code Requirements for Structural Concrete, Figure 6-8. De treksterkte wordt verwaarloosd, zoals gebruikelijk is bij het klassieke ontwerp van gewapend beton.

De implementatie van CSFM in IDEA StatiCa Detail hanteert geen expliciet bezwijkcriterium in termen van rek voor beton onder druk (na het bereiken van de piekspanning wordt een plastische tak aangehouden met εc0 met een maximumwaarde van 5%, terwijl ACI 318-19 Cl. 22.2.2.1 uitgaat van een uiterste rek van minder dan 0,3%). Door deze vereenvoudiging kan het vervormingsvermogen van constructies die door druk bezwijken niet worden geverifieerd. De sterkte wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2, gedefinieerd in (Fig. 39)), ook de toename van de brosheid van beton bij hogere sterkte in rekening wordt gebracht met de reductiefactor uit de fib Model Code 2010, als volgt:
waarbij:
α1 de reductiefactor is voor de drukspanning van beton, gedefinieerd in ACI 318-19 Cl. 22.2.2.4.1. Bij gebruik van een parabool-rechthoek spanning-rek-diagram moet de maximale drukspanning met deze factor worden verlaagd. Hierdoor wordt de spanningsverdeling in de drukzone zodanig gemiddeld dat de resulterende druksterkte kleiner is dan of gelijk is aan de druksterkte berekend met een spanning-rek-diagram met een afnemende plastische tak.
Φc de sterktereductiefactor voor beton is. De standaardwaarde is ingesteld volgens ACI 318-19 Table 24.2.1 (b)(f).
kc2 de reductiefactor is vanwege de aanwezigheid van dwarsscheuren.
f'c de cilindersterkte van het beton is (in MPa voor de definitie van ).
kc2 is een reductiefactor die gebaseerd is op dezelfde uitgangspunten als de knoopzonecoëfficiënt βn uit ACI 318-19 Table 23.9.2, met dien verstande dat in CSFM de aanwezigheid van een hoofdtrekspanning loodrecht op de hoofddrukspanning voor elk eindig element wordt getoetst (en niet alleen voor de knopen van het Staafwerkmodel).
Beton – Bruikbaarheid
De bruikbaarheidsanalyse bevat enkele vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die voor de sterkteanalyse worden gebruikt. De plastische tak van de spanning-rek-curve van beton onder druk wordt buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. De compression softening law wordt niet in rekening gebracht. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en verminderen de algemeenheid van de oplossing niet, zolang de resulterende spanningsgrenzen van het materiaal in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder de vloeigrens blijven (zoals door ACI wordt vereist). De vereenvoudigde modellen voor de bruikbaarheid zijn daarom alleen geldig als aan alle toetsingseisen is voldaan.

Langetermijneffecten
Het langetermijngedrag van de constructie, zoals doorbuigingen op lange termijn of de berekening van scheurwijdten als gevolg van langdurige belastingen, wordt beïnvloed door de kruip van beton. ACI 318-19 definieert in paragraaf 24.2.4.1.3 de tijdsafhankelijke factor voor langdurige belastingen – ξ, die het kruipeffect weergeeft voor een gespecificeerde duur van de langdurige belasting.
In de Detail applicatie wordt de elasticiteitsmodulus Ec aangepast om het langetermijngedrag van de constructie te bepalen met behulp van de factor ξ. De aangepaste elasticiteitsmodulus wordt aangeduid als Ec,eff – zie Figure 40.
Als we aannemen dat de vervorming van het element wordt uitgedrukt als rek, kan worden geschreven:
waarbij:
ε0 de rek op korte termijn is (zonder invloed van kruip) en εcreep de rek als gevolg van kruip.
Met de wet van Hooke kunnen we schrijven:
Door en te substitueren, krijgen we:
De duur van de langdurige belasting voor het bepalen van de factor ξ kan voor elke langetermijncombinatie in de bruikbaarheidsgrenstoestand afzonderlijk worden ingesteld.

De tijdsafhankelijke doorbuigingen, spanningen en scheurwijdten worden vervolgens berekend met een aangepast materiaalmodel, waarin het effect van drukverfijning automatisch wordt meegenomen door de aard van de eindige-elementenanalyse. Het is daarom niet nodig deze verder te vermenigvuldigen met de factor die in 24.2.4.1.1 is gedefinieerd.
Korte-termijneffecten
Om toetsingen op korte termijn uit te voeren, wordt een tweede berekening gemaakt waarin alle belastingen zonder de tijdsafhankelijke factor voor langdurige belastingen worden berekend. Beide berekeningen, voor toetsingen op lange en korte termijn, zijn weergegeven in Fig. 40.
Wapening
Voor de niet-voorgespannen wapening wordt een perfect elastisch-plastisch spanning-rek-diagram met een gedefinieerde vloeigrens aangehouden, zie ACI 319-19 CL. 20.2.1. Voor de definitie van dit diagram hoeven alleen de basiseigenschappen van de wapening bekend te zijn – de sterkte en de elasticiteitsmodulus.
Het spanning-rek-diagram van de wapening kan ook door de gebruiker worden gedefinieerd, maar in dat geval is het niet mogelijk het tension stiffening effect in rekening te brengen (het is niet mogelijk de scheurwijdte te berekenen).

waarbij:
Φs de sterktereductiefactor voor wapening is. De standaardwaarde is ingesteld volgens ACI 318-19 Table 24.2.1.
fy de vloeigrens van de wapening is
Es de elasticiteitsmodulus van de wapening is
Als grensrek waarbij de berekening wordt gestopt, is 10% gekozen. Dit wordt als veilig beschouwd op basis van ASTM A955/A955M-20c Article 7.
Tension stiffening (Fig. 43) wordt automatisch in rekening gebracht door de invoer van de spanning-rek-relatie van de blote wapeningsstaaf aan te passen, zodat de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven (εm) wordt weergegeven.

5.2 Reductiefactoren voor sterkte en belastingfactoren
De Compatible Stress Field Method voldoet aan moderne normen. Omdat de rekenmodellen alleen standaard materiaaleigenschappen gebruiken, kan het in de normen voorgeschreven formaat met partiële veiligheidsfactoren zonder aanpassing worden toegepast. Op deze manier worden de invoerbelastingen met factoren vermenigvuldigd en de karakteristieke materiaaleigenschappen gereduceerd met de bijbehorende reductiefactoren voor sterkte, precies zoals bij een conventionele betonberekening.
De waarden van de reductiefactoren voor sterkte zijn voorgeschreven in ACI 318-19 Cl. 21.2. De standaardwaarden voor beton en wapening zijn gekozen op basis van de aanname dat het typische voorbeeld in de applicatie door afschuiving wordt bepaald (conform Tabel 21.2.1 (b), (f), (g)). Het is echter mogelijk om elk type element te modelleren. Als een element wordt getoetst dat door druk of trek wordt bepaald, kan de gebruiker daarom de waarde van de reductiefactor voor sterkte wijzigen in de Voorkeuren.

Belastingfactoren voor sterktecombinaties moeten worden bepaald volgens ACI 318-19 Tabel 5.3.1.
Behalve zoals vermeld in Hoofdstuk 34 zijn belastingcombinaties voor de bruikbaarheidsgrenstoestand niet gedefinieerd in ACI 318-19. Aanbevolen wordt om combinatieregels te gebruiken op basis van Appendix C van ASCE/SEI 7-16. Voor alle templates zijn de belastingfactoren al vooraf ingesteld.

5.3 Sterkteverificaties
De verschillende verificaties die ACI 318-19 vereist, worden getoetst op basis van de directe resultaten van het model. De verificaties worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de wapeningssterkte en de verankering (afschuifspanningen van de aanhechting).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc (ook σ2 in Hulpresultaten) uit de EM-analyse en de grenswaarde f'c,lim.
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening ter plaatse van de scheuren fs en de gespecificeerde grenswaarde fy,lim.
De afschuifspanning van de aanhechting wordt afzonderlijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtspanning τb, berekend met de EM-analyse, en de aanhechtsterkte fbu.
De ACI-norm behandelt de aanhechtsterkte echter niet expliciet, maar werkt met de berekening van de zogenaamde verankeringslengte, die in paragraaf 25.4.2 wordt beschreven. Omdat de aanhechtsterkte een fundamentele invoerparameter is voor het bepalen van de verankeringslengte, zie R25.4.1.1 en ACI Committee 408 1966, kan de aanhechtsterkte als volgt worden berekend:
Stel dat een wapeningsstaaf in een betonblok wordt verankerd over de verankeringslengte ld of meer. Het uittrekken van de wapening leidt dan tot breuk van de wapening en niet tot het uittrekken uit het beton. Dit kan met de volgende formule worden uitgedrukt.
waarin:
db de diameter van de wapeningsstaaf is, ld de verankeringslengte, fbu de aanhechtsterkte, fy de vloeigrens van de wapening en As het oppervlak van de wapeningsstaaf.
Hieruit kan eenvoudig de formule voor de aanhechtsterkte worden afgeleid:
De verankeringslengte ld wordt vervolgens bepaald volgens ACI 318-19 Tabel 25.4.2.3 als volgt:
waarin:
C = 25 (2,1 voor metrisch) voor staven nr. 6 en kleiner en geprofileerde draden, C = 20 (1,7 voor metrisch) voor staven nr. 7 en groter, λ = 1,0 voor beton met normaal gewicht, en ψt, ψe, ψg worden bepaald volgens ACI 318-19 Tabel 25.4.2.3.
Alleen onbehandelde of verzinkte wapening wordt ondersteund, dus ψe = 1,0. ψg wordt automatisch bepaald op basis van de wapeningskwaliteit en ψt wordt automatisch afgeleid uit de positie van de wapening in het model en uit de stortrichting, die in de applicatie voor elk projectonderdeel als volgt kan worden ingesteld.

Deze verificaties worden uitgevoerd ten opzichte van de passende grenswaarden voor de betreffende delen van de constructie (d.w.z. ondanks dat er voor beton en wapening slechts één kwaliteit wordt gebruikt, verschillen de uiteindelijke spanning-rek-diagrammen per deel van de constructie door de effecten van tension stiffening en compression softening).
Er is ook een optie om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie vindt u hier: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden gedefinieerd.
waarin As het oppervlak van de wapeningsstaaf is en fs de spanning in de staaf.
Of als de som van de verankeringskracht Fa en de aanhechtkracht Fbond.
waarin Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtkracht, die kan worden verkregen door de aanhechtspanning τb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de sterkte van de wapeningsstaaf en ook met de verankeringscondities (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enz.).
waarin Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarin Flim,add de aanvullende kracht is, berekend uit de grootte van de hoek tussen naburige elementen. Flim,2 moet altijd lager zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen in CSFM omvatten een rechte staaf (d.w.z. geen reductie voor het ankereinde), een haak van 90 graden, een haak van 180 graden, perfecte aanhechting en een doorlopende staaf. Al deze typen worden, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, voor langswapening weergegeven in Fig. 48. De waarden van de toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn afgeleid uit de vergelijking van de formule uit paragraaf ACI 318-19 25.4.3.1 met de formules uit paragraaf ACI 318-19 25.4.2.3. Merk op dat CSFM, ondanks de verschillende beschikbare opties, drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 30% van de verankeringslengte bij een genormaliseerde verankering, en (iii) perfecte aanhechting.

De verankeringscoëfficiënt voor beugels is altijd β = 1,0.
Om aan ACI te voldoen, moet de verankeringsveer in de berekening worden gebruikt. De verankeringsveer wordt aangepast met de coëfficiënt β, dus de gebruiker moet bij het definiëren van de begin- en eindvoorwaarden van de wapening een van de beschikbare verankeringstypen kiezen.
5.4 Oplegzones en verankeringszones – Gedeeltelijk belaste oppervlakken
Bij het ontwerpen van betonconstructies komen we twee grote groepen gedeeltelijk belaste oppervlakken (PLA) tegen. De eerste groep omvat opleggingen, de tweede verankeringsgebieden.
Volgens de momenteel geldende normen voor het ontwerp van gewapende betonconstructies, ACI 318-19 hoofdstuk 22.8, moeten bij opleggingen het plaatselijk verbrijzelen van het beton en dwarse trek krachten worden beschouwd. Bij een gelijkmatig verdeelde belasting op een oppervlak, Ac1, mag de drukcapaciteit van het beton met maximaal een factor twee worden verhoogd, afhankelijk van het rekenoppervlak voor de lastspreiding Ac2. Zie ACI 318-19 tabel 22.8.3.2.

Voor verankeringszones bij voorspanning met nagerekt staal moet ACI 318-19 hoofdstuk 25.9 worden gevolgd.
Het gedeeltelijk belaste oppervlak moet voldoende worden voorzien van dwarswapening, die is ontworpen om de optredende splijtkrachten in het gebied over te dragen. Zonder de vereiste dwarswapening is het niet toegestaan om uit te gaan van een verhoogde drukcapaciteit van het beton.
Gedeeltelijk belaste oppervlakken in CSFM
Met CSFM is het mogelijk om gewapende betonconstructies te ontwerpen en te toetsen, waarbij de invloed van de toenemende drukweerstand van het beton in gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt meegenomen. Omdat CSFM een wandmodel (2D) is en gedeeltelijk belaste oppervlakken een ruimtelijk (3D) vraagstuk vormen, was het nodig een oplossing te vinden die deze twee verschillende typen vraagstukken combineert (Fig. 50). Wanneer de functie "gedeeltelijk belaste oppervlakken" is geactiveerd, wordt de toelaatbare conusgeometrie gegenereerd volgens ACI (Fig. 49). Alle geometrische botsingen worden volledig in 3D opgelost voor de opgegeven geometrie van de betonstaaf en de afmetingen van elk PLA. Vervolgens wordt een rekenmodel van het gedeeltelijk belaste oppervlak opgesteld.

Het aanpassen van het materiaalmodel bleek een ongeschikte aanpak, vooral omdat het toewijzen van eigenschappen aan het eindige-elementenmesh problematisch is. Een aanpak die onafhankelijk is van het eindige-elementenmesh bleek een geschiktere oplossing. Voor de bekende geometrie van de drukconus worden volledig samenhangende fictieve drukdiagonalen gegenereerd (Fig. 51 en Fig. 52). Deze drukdiagonalen hebben dezelfde materiaaleigenschappen als het in het model gebruikte beton, inclusief het spanning-rek diagram. De vorm van de conus bepaalt de richting van de drukdiagonalen, die de belasting geleidelijk over het PLA verdelen naar het rekenoppervlak voor de lastspreiding. De oppervlaktedichtheid van de fictieve drukdiagonalen varieert in elk deel van de conus en voegt een fictief betonoppervlak toe in de belastingsrichting. Ter hoogte van het belaste oppervlak (Ac1) wordt een fictief betonoppervlak toegevoegd volgens (waarbij Areal het oplegoppervlak is dat in het 2D-rekenmodel wordt aangenomen). Dit oppervlak neemt lineair af tot nul in de richting van het rekenoppervlak voor de lastspreiding (Ac2). Deze oplossing zorgt ervoor dat de drukspanning in het beton over het gehele conusvolume constant is.

De weerstand van het gedeeltelijk belaste oppervlak wordt verhoogd volgens de verhouding tussen het rekenoppervlak voor de lastspreiding en het belaste oppervlak, zoals vastgelegd in ACI 318-19 hoofdstuk 22.8. Houd er rekening mee dat dit een rekenmodel is dat de spanningstoestand over een gedeeltelijk belast oppervlak, waarvan het werkelijke krachtenverloop veel complexer is, niet exact kan beschrijven. Deze oplossing zorgt echter voor een correcte verdeling van de belasting over het gehele model, waarbij de verhoogde draagcapaciteit van het gedeeltelijk belaste oppervlak in acht wordt genomen. Bovendien worden in dit gebied de dwarsspanningen correct geïntroduceerd, zodat de wapening voor splijtkrachten correct kan worden ontworpen.
De toelaatbare oplegspanning van 0.85fc' staat in tabel 22.8.3.2. De dichtheid wordt zodanig begrensd dat de maximale dubbele capaciteit uit de formule in tabel 22.8.3.2(b) niet wordt overschreden.
Voor de verankeringszones wordt PLA in de applicatie op dezelfde wijze gebruikt als voor opleggingen. Daarom moeten de lokale zones, gedefinieerd in ACI 318-19 hoofdstuk 25.9, handmatig worden getoetst volgens ACI 318-19 25.9.3. PLA wordt dus alleen gebruikt om te voorkomen dat het rekcriterium in de lokale zone wordt overschreden en de berekening daardoor voortijdig wordt gestopt. Daarentegen kan, volgens ACI 318-19, Cl. 25.9.4.3.1 (b), de wapening die weerstand biedt aan de splijt- en afspatspanningen in het vlak, direct en voordelig in de applicatie worden geverifieerd.
5.5 Verificaties in de bruikbaarheidsgrenstoestand
Bruikbaarheidsverificaties worden uitgevoerd voor spanningsbeperking, scheurwijdte en doorbuigingsgrenzen. De spanningen in beton en wapening worden getoetst volgens ACI 318-19, op een vergelijkbare wijze als voorgeschreven voor de Sterkte.
Spanningsbeperking
De toelaatbare drukspanningen in het beton onder gebruiksbelasting moeten worden geverifieerd voor voorgespannen staven van klasse U en T. Volgens Tabel R24.5.2.1 is voor beton dat als gescheurd wordt beschouwd geen toetsing van de spanningsbeperking vereist. De gebruiker moet de klasse van de voorgespannen staaf instellen in de instellingen van de rekenstaaf.

De toelaatbare drukspanning voor staven die aan tijdelijke belastingen worden blootgesteld, wordt in ACI 318-19 24.5.4.1 gegeven als 0.6fc'. De drukspanningslimiet van 0.45fc' is vastgesteld om de kans op bezwijken van voorgespannen betonstaven door herhaalde belastingen te verkleinen. Deze limiet bleek ook redelijk om overmatige kruipvervorming te voorkomen. Bij hogere spanningswaarden nemen de kruiprekken sneller toe naarmate de aangebrachte spanning toeneemt.
De betonspanning in druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc = σc2 uit de EEM-analyse voor de bruikbaarheid en de limietwaarde, die is vastgesteld op basis van Tabel 24.5.4.1.

In de applicatie wordt Voorspanning plus blijvende belasting behandeld als een langetermijncombinatie en Voorspanning plus totale belasting als een kortetermijncombinatie.
Doorbuiging
Afhankelijk van het geselecteerde combinatietype (lange termijn of korte termijn) wordt de doorbuiging op lange of korte termijn beoordeeld. De maximaal toelaatbare doorbuiging moet door de gebruiker worden bepaald en moet worden beschouwd conform ACI 138-19 24.2.

In de applicatie kunnen de doorbuigingen ten gevolge van het eigen gewicht ΔDL en de veranderlijke belasting ΔLL afzonderlijk worden weergegeven, evenals de totale doorbuiging ΔTot (eigen gewicht + veranderlijke belasting), steeds samen met de vervormde vorm.
Doorbuigingen bij ingekorte uiteinden kunnen niet worden getoetst.
Scheurwijdte
Scheurwijdten en scheuroriëntaties worden berekend voor bruikbaarheidscombinaties op korte of lange termijn. Aangezien ACI geen grenswaarden voor scheurwijdten rechtstreeks voorschrijft, moet de gebruiker een grenswaarde voor de scheurwijdte wlim opgeven.
De verificaties worden als volgt weergegeven:
waarin:
w scheurwijdte op korte of lange termijn, berekend met de EEM-analyse,
wlim grenswaarde van de scheurwijdte, gedefinieerd door de gebruiker.
De in de applicatie gebruikte methode voor het berekenen van scheurwijdten, die ook in dit document nader wordt beschreven, is in overeenstemming met ACI 224R-01. Het is daarom mogelijk om Tabel 4.1 van ACI 224R-01 te gebruiken voor het bepalen van de grenswaarde van de scheurwijdten.

Er zijn twee manieren om scheurwijdten te berekenen (gestabiliseerde en niet-gestabiliseerde scheurvorming). In het algemene geval (gestabiliseerde scheurvorming) wordt de scheurwijdte berekend door de rekken te integreren over de 1D-elementen van de wapeningsstaven. De scheurrichting wordt vervolgens berekend uit de drie dichtstbijzijnde integratiepunten (vanaf het midden van het betreffende 1D-eindig element van de wapening) van de 2D-betonelementen. Hoewel deze benadering voor het berekenen van de scheurrichtingen niet overeenkomt met de werkelijke positie van de scheuren, levert zij toch representatieve waarden op, waarmee scheurwijdteresultaten worden verkregen die ter plaatse van de wapeningsstaaf kunnen worden vergeleken met de door de norm vereiste scheurwijdtewaarden.
6 Constructieve toetsingen volgens AASHTO
6.1 Materiaalmodellen (AASHTO)
Beton - Sterkte
Het betonmodel dat voor sterkteberekeningen in CSFM is geïmplementeerd, is gebaseerd op de uitgangspunten van AASHTO LRFD voor sterkteontwerp: evenwicht en rekcompatibiliteit. Conform AASHTO LRFD (2024) artikel 5.6.2.1 wordt de treksterkte van beton verwaarloosd.

De implementatie van CSFM in IDEA StatiCa Detail hanteert geen expliciet bezwijkcriterium in termen van rek voor beton op druk (na het bereiken van de piekspanning wordt een plastische tak aangenomen met εc0 met een maximale waarde van 5%, terwijl AASHTO LRFD (2024) artikel 5.6.2.1 uitgaat van een uiterste rek kleiner dan 0,3%). Door deze vereenvoudiging kan de vervormingscapaciteit van constructies die op druk bezwijken niet worden geverifieerd. De sterkte wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2 gedefinieerd in (Fig. 57)), ook de toename van de brosheid van beton bij toenemende sterkte wordt meegenomen met de reductiefactor uit de fib Model Code 2010, als volgt:
waarin:
α1 de reductiefactor is voor de druksterkte van beton, gedefinieerd in AASHTO LRFD (2024) artikel 5.6.2.2. Bij gebruik van een parabool-rechthoek spanning-rek diagram moet de maximale drukspanning met deze factor worden verlaagd. Hierdoor wordt de spanningsverdeling in de drukzone zodanig gemiddeld dat de resulterende druksterkte kleiner is dan of gelijk is aan de druksterkte berekend met een spanning-rek diagram met een dalende plastische tak.
Φc de weerstandsfactor voor beton is. De standaardwaarde is ingesteld conform AASHTO LRFD (2024) artikel 5.5.4.2.
kc2 de reductiefactor is vanwege de aanwezigheid van dwarsscheuren.
f'c de cilinderdruksterkte van beton is (in MPa voor de definitie van ).
kc2 is een reductiefactor die op dezelfde uitgangspunten is gebaseerd als de efficiëntiefactor voor beton ν uit AASHTO LRFD (2024) 5.8.2.5.3a en Tabel 5.8.2.5.3a-1. Het verschil is dat in CSFM de aanwezigheid van een hoofdtrekspanning loodrecht op de hoofddrukspanning voor elk eindig element wordt gecontroleerd (en niet alleen voor de knopen van het Staafwerkmodel).
Beton – Bruikbaarheid
De bruikbaarheidsberekening bevat enkele vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die voor de sterkteberekening worden gebruikt. De plastische tak van de spanning-rek curve van beton op druk wordt buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. De compression softening wet wordt niet toegepast. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en verminderen de algemeenheid van de oplossing niet, zolang de resulterende spanningsgrenzen van de materialen in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder hun vloeigrens liggen (in overeenstemming met de benadering voor de bruikbaarheidsgrenstoestand in AASHTO LRFD). De vereenvoudigde modellen voor bruikbaarheid zijn daarom alleen geldig als aan alle verificatie-eisen wordt voldaan.

Langetermijneffecten
De langetermijn constitutieve wet (de rode curve in Fig. 59) wordt gebruikt voor de berekening van de scheurwijdte, de totale doorbuiging en de spanningsbeperking van voorgespannen staven wanneer het langetermijneffect is geselecteerd in het bovenste lint. In de IDEA StatiCa Detail applicatie wordt de effectieve elasticiteitsmodulus gebruikt voor de verificatie van langetermijneffecten, zoals vermeld in AASHTO LRFD (2024) C5.12.5.3.6-1.
waarin:
Ec de elasticiteitsmodulus is, gedefinieerd in AASHTO LRFD (2024) artikel 5.4.2.4
ψ de kruipcoëfficiënt is, gedefinieerd in AASHTO LRFD (2024) artikel 5.4.2.3.2
Kruipfactoren worden door de gebruiker gedefinieerd in de materiaaleigenschappen.
Korte-termijneffecten
Voor de korte-termijnverificaties wordt een aparte berekening uitgevoerd waarin alle belastingen zonder kruipfactor worden berekend. Beide berekeningen, voor lange- en korte-termijnverificaties, zijn weergegeven in Fig. 59.
Wapening
Voor de niet-voorgespannen wapening wordt een perfect elastisch-plastisch spanning-rek diagram met een gedefinieerde vloeigrens aangenomen, zie AASHTO LRFD (2024) artikel 5.4.3. Voor de definitie van dit diagram zijn alleen de basiseigenschappen van de wapening nodig: de sterkte en de elasticiteitsmodulus.
Het spanning-rek diagram van de wapening kan ook door de gebruiker worden gedefinieerd, maar in dat geval kan het tension stiffening effect niet worden meegenomen (het is dan niet mogelijk de scheurwijdte te berekenen).

waarin:
Φs de weerstandsfactor voor wapening is. De standaardwaarde is ingesteld conform AASHTO LRFD (2024) artikel 5.5.4.2.
fy de vloeigrens van de wapening is
Es de elasticiteitsmodulus van de wapening is
Als grensrek waarbij de berekening wordt gestopt, is 10% geselecteerd. Dit wordt als veilig beschouwd op basis van ASTM A955/A955M-20c artikel 7.
Tension stiffening (Fig. 61) wordt automatisch meegenomen door de invoer van de spanning-rek relatie van het blanke wapeningsstaal aan te passen, zodat de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven wordt vastgelegd (εm).

6.2 Weerstands- en belastingfactoren
De Compatible Stress Field Method voldoet aan de moderne ontwerpnormen. Omdat de rekenmodellen uitsluitend gebruikmaken van standaard materiaaleigenschappen, kan het in de ontwerpnormen voorgeschreven formaat met partiële veiligheidsfactoren zonder aanpassing worden toegepast. Op deze manier worden de invoerbelastingen met factoren vermenigvuldigd en worden de karakteristieke materiaaleigenschappen verlaagd met de betreffende weerstandsfactoren, precies zoals bij conventionele betonberekeningen.
De waarden van de weerstandsfactoren worden voorgeschreven in AASHTO LRFD (2024), Article 5.5.4. De standaardwaarden voor beton en wapening zijn conservatief gekozen, uitgaande van de aanname dat het typische uitgewerkte voorbeeld een D-gebied is - een typisch geval voor de SaT-methode. Het is echter mogelijk om elk type element te modelleren. Wanneer een door druk of trek gedomineerd element wordt getoetst, kan de gebruiker daarom de waarde van de reductiefactor voor de sterkte wijzigen in de Preferences.

Belastingfactoren en belastingcombinaties moeten worden gedefinieerd volgens AASHTO LRFD Bridge Design Specifications (2024), Article 3.4.1 en Tables 3.4.1-1 tot en met 3.4.1-6. AASHTO LRFD specificeert expliciet de belastingcombinaties voor de grenstoestand van sterkte (Strength I tot en met Strength V) en de belastingcombinaties voor de gebruiksgrenstoestand (Service I tot en met Service IV), inclusief de bijbehorende belastingfactoren voor elk geval.
Voor elk template bevat het programma vooraf gedefinieerde basiscombinaties die moeten worden aangevuld, afhankelijk van het element dat wordt verwerkt.

6.3 Grenstoestand van sterkte
De verschillende toetsingen die AASHTO voorschrijft, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De toetsingen worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de wapeningssterkte en de verankering (afschuifspanningen in de aanhechting).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc (ook σ2 in Hulpresultaten) uit de EEM-analyse en de grenswaarde f'c,lim.
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening ter plaatse van de scheuren fs en de opgegeven grenswaarde fy,lim.
De afschuifspanning in de aanhechting wordt afzonderlijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtingsspanning τb uit de EEM-analyse en de aanhechtingssterkte fbu.
Omdat de aanhechtingssterkte in AASHTO niet expliciet is gedefinieerd, moet de waarde ervan worden bepaald met de vergelijkingen voor de verankeringslengte. De aanhechtingssterkte is namelijk de belangrijkste invoer voor het bepalen van de verankeringslengte; zie bijvoorbeeld AASHTO LRFD (2024) Article C5.10.8.2 of NCHRP Report 733, Attachment E, pagina E-9.
De berekening in AASHTO LRFD (2024) Article 5.10.8.2.1 en 5.10.8.2.2 vereist kennis van de maximale hart-op-hartafstand van de dwarswapening binnen ld, het aantal staven of draden dat langs het splijtvlak wordt verankerd, de totale doorsnede van alle dwarswapening en andere geometrische grootheden. Deze kunnen in het model van de Detail applicatie niet betrouwbaar worden bepaald voor algemene invoer. Daarom is een benadering uit AASHTO LRFD (2014) Article 5.11.2.1.1 toegepast, op de volgende wijze:
We nemen aan dat bij verankering van de wapeningsstaaf in een betonblok over de verankeringslengte ld of meer, het uittrekken van de wapening leidt tot breuk van de wapening en niet tot het uittrekken uit het beton. Dit kan met de volgende formule worden uitgedrukt.
waarbij:
- db de diameter van de wapeningsstaaf is
- ld de verankeringslengte is
- fbu de aanhechtingssterkte is
- fy de vloeigrens van de wapening is
- Ab de doorsnede van de wapeningsstaaf is
Hieruit kan eenvoudig de formule voor de aanhechtingssterkte worden afgeleid.
De basisverankeringslengte op trek ldb wordt in AASHTO LRFD (2014) Article 5.11.2.1.1 als volgt bepaald:
Voor staven No. 11 en kleiner:
Voor staven No. 14:
Voor staven No. 18:
waarbij:
- Ab de doorsnede van de wapeningsstaaf is (in2)
- fy de opgegeven vloeigrens van de wapening is (ksi)
- f'c de opgegeven druksterkte van het beton na 28 dagen is, tenzij een andere leeftijd is opgegeven (ksi)
- db de diameter van de wapeningsstaaf is (in)
Door de basisverankeringslengte ldb te vermenigvuldigen met de factoren uit AASHTO LRFD (2014) Article 5.11.2.1.2 en 5.11.2.1.3 wordt de verankeringslengte ld als invoer bepaald.
De modificatiefactoren uit 5.11.2.1.3 die de verankeringslengte verkleinen, zijn in de applicatie altijd gelijk aan 1,0. De modificatiefactor voor bovenliggende horizontale of nagenoeg horizontale wapening is gelijk aan 1,4 bij 'slechte' aanhechtingsomstandigheden, volgens de onderstaande figuur:

De stortrichting kan in de applicatie worden ingesteld.

Alle overige factoren uit 5.11.2.1.2 zijn gelijk aan 1,0, omdat alleen beton met normaal gewicht en alleen ongecoate wapening worden ondersteund.
De afschuifspanning in de aanhechting en de aanhechtingssterkte van staven op druk worden analoog aan die van staven op trek berekend, maar daarbij worden de vergelijkingen uit AASHTO LRFD (2014) Article 5.11.2.2 gebruikt.
Het is ook mogelijk om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie vindt u hier: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden bepaald.
waarbij Ab de doorsnede van de wapeningsstaaf is en fs de spanning in de staaf.
Of als de som van de verankeringskracht Fa en de aanhechtingskracht Fbond.
waarbij Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtingskracht, die kan worden verkregen door de aanhechtingsspanning τb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de sterkte van de wapeningsstaaf en ook met de verankeringsomstandigheden (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enz.).
waarbij Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarbij Flim,add de extra kracht is die wordt berekend uit de grootte van de hoek tussen naburige elementen. Flim,2 moet altijd kleiner zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen in CSFM zijn een rechte staaf (d.w.z. zonder reductie voor het ankereinde), een haak van 90 graden, een haak van 180 graden, perfecte aanhechting en een doorlopende staaf. Al deze typen zijn, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, voor langswapening weergegeven in Fig. 67. De waarden van de toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn afgeleid uit de vergelijking van de formule uit AASHTO LRFD (2014) 5.11.2.1 met de formules uit AASHTO LRFD (2014) 5.11.2.4.1. Merk op dat CSFM, ondanks de verschillende beschikbare opties, drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 30% van de verankeringslengte bij een genormaliseerde verankering en (iii) perfecte aanhechting.

De verankeringscoëfficiënt voor beugels (beschikbaar voor liggerelementen) is altijds β = 1,0.
Om aan AASHTO te voldoen, moet de verankeringsveer in de berekening worden gebruikt. De verankeringsveer wordt aangepast met de coëfficiënt β, dus de gebruiker moet een van de beschikbare verankeringstypen kiezen bij het definiëren van de begin- en eindvoorwaarden van de wapening.
6.4 Weerstand van oplegzones en verankeringszones – Gedeeltelijk belaste oppervlakken
Bij het ontwerpen van betonconstructies komen we twee grote groepen gedeeltelijk belaste oppervlakken (PLA) tegen. De eerste groep bestaat uit opleggingen, de tweede uit verankeringsgebieden.
Volgens de huidige normen voor het ontwerp van gewapende betonconstructies moeten bij opleggingen het lokaal verbrijzelen van het beton en de dwarstrek kracht in rekening worden gebracht. Bij een gelijkmatig verdeelde belasting op een oppervlak A1 kan de drukcapaciteit van het beton tot twee keer worden verhoogd, afhankelijk van het rekenkundige spreidingsoppervlak A2. Zie AASHTO LRFD (2024) Article 5.6.5.

Voor verankeringszones bij voorspanning met nagerekt staal moet AASHTO LRFD (2024) Article 5.8.4.4 worden gevolgd.
Het gedeeltelijk belaste oppervlak moet voldoende zijn voorzien van dwarswapening, die is ontworpen om de splijtkrachten in het gebied over te brengen. Zonder de vereiste dwarswapening is het niet mogelijk om rekening te houden met een verhoogde drukcapaciteit van het beton.
Gedeeltelijk belaste oppervlakken in CSFM
Met CSFM is het mogelijk om gewapende betonconstructies te ontwerpen en te toetsen, waarbij de invloed van de toenemende drukweerstand van het beton in gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt meegenomen. Omdat CSFM een wandmodel (2D) is en gedeeltelijk belaste oppervlakken een ruimtelijk (3D) vraagstuk vormen, was het nodig een oplossing te vinden die deze twee verschillende typen vraagstukken combineert (Fig. 69). Als de functie “gedeeltelijk belaste oppervlakken” is geactiveerd, wordt de toelaatbare conusgeometrie aangemaakt volgens ACI (Fig. 68). Alle geometrische botsingen worden volledig in 3D opgelost voor de opgegeven geometrie van de betonnen staaf en de afmetingen van elk PLA. Vervolgens wordt een rekenmodel van het gedeeltelijk belaste oppervlak aangemaakt.

Het aanpassen van het materiaalmodel bleek een ongeschikte aanpak, voornamelijk omdat het toewijzen van eigenschappen aan de eindige-elementen mesh problematisch is. Een aanpak die onafhankelijk is van de eindige-elementen mesh bleek een geschiktere oplossing. Voor de bekende geometrie van de drukconus worden volledig samenhangende fictieve drukdiagonalen aangemaakt (Fig. 70 en Fig. 71). Deze drukdiagonalen hebben dezelfde materiaaleigenschappen als het beton in het model, inclusief het spanning-rekdiagram. De vorm van de conus bepaalt de richting van de drukdiagonalen, die de belasting over het PLA geleidelijk spreiden tot het rekenkundige spreidingsoppervlak. De oppervlaktedichtheid van de fictieve drukdiagonalen varieert in elk deel van de conus en voegt een fictief betonoppervlak toe in de belastingsrichting. Ter hoogte van het belaste oppervlak (A1) wordt een fictief betonoppervlak toegevoegd volgens de verhouding (waarbij Areal het oppervlak van de oplegging is dat in het 2D-rekenmodel wordt aangenomen). Dit oppervlak neemt lineair af tot nul richting het rekenkundige spreidingsoppervlak (A2). Deze oplossing zorgt ervoor dat de drukspanning in het beton constant is over het volledige conusvolume.

De weerstand van het gedeeltelijk belaste oppervlak wordt verhoogd volgens de verhouding tussen het rekenkundige spreidingsoppervlak en het belaste oppervlak, zoals vastgelegd in AASHTO LRFD (2024) Article 5.6.5. Houd er rekening mee dat dit een rekenmodel is dat de spanningstoestand over een gedeeltelijk belast oppervlak, waarvan de werkelijke krachtsafdracht veel complexer is, niet exact kan beschrijven. Deze oplossing zorgt echter voor een correcte verdeling van de belasting over het hele model, met inachtneming van de verhoogde draagkracht van het gedeeltelijk belaste oppervlak. Bovendien worden in dit gebied op correcte wijze dwarsspanningen geïntroduceerd, zodat de wapening voor splijtkrachten correct kan worden ontworpen.
De toelaatbare oplegspanning van 0.85fc' is opgenomen in AASHTO LRFD (2024) Article 5.8.4.4. De dichtheid wordt zodanig beperkt dat de maximale dubbele capaciteit uit formule 5.6.5-3 niet wordt overschreden.
Voor de verankeringszones wordt PLA in de applicatie op dezelfde manier gebruikt als voor opleggingen. Daarom moeten de drukspanningen in de lokale en globale zones, zoals gedefinieerd in Article 5.8.4.4 en 5.8.4.5, handmatig worden getoetst. PLA wordt dan ook alleen gebruikt om te voorkomen dat het rekcriterium in de lokale zone wordt overschreden en de berekening daardoor voortijdig stopt. De wapening die weerstand biedt aan barstspanningen, afspattingsspanningen in het vlak en randtrekspanningen in de algemene zones (gedefinieerd in Article 5.8.4.5) kan daarentegen direct en met voordeel in de applicatie worden getoetst.
6.5 Bruikbaarheidsgrenstoestand
Bruikbaarheidstoetsingen worden uitgevoerd voor spanningsbeperking, scheurwijdte en doorbuigingsgrenzen. Spanningen worden in beton en wapeningselementen getoetst volgens AASHTO LRFD, op een vergelijkbare manier als voor de Strength.
Spanningsbeperking
De betondrukspanning wordt alleen beoordeeld voor voorgespannen staven (wanneer de belastinggeval Prestressing aanwezig is in het model), als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc = σc2 uit de EEM-analyse voor de bruikbaarheidsgrenstoestand en de grenswaarden, die zijn vastgesteld op basis van AASHTO LRFD Tabel 5.9.2.3.2a-1.

In de applicatie wordt Voorspanning plus permanente belasting behandeld als een Sustain load en Voorspanning, permanente en veranderlijke belasting als een Total load.

Daarnaast is het altijd mogelijk een analyse uit te voeren voor zowel kortetermijn- als langetermijneffecten, met materiaalmodellen die de kruipfactor wel of niet meenemen. Zie de paragraaf "Materiaalmodellen (AASHTO)".

Doorbuiging
Directe doorbuigingen en totale doorbuigingen worden bepaald voor elke combinatie waarvoor de doorbuigingsbeoordeling is ingeschakeld.
- Voor directe doorbuigingen wordt de elasticiteitsmodulus Ec volgens AASHTO LRFD (2024) artikel 5.4.2.4 gebruikt.
- Voor totale doorbuigingen wordt de effectieve elasticiteitsmodulus Ec,eff volgens AASHTO LRFD (2024) artikel C5.12.5.3.6 gebruikt.
Zie het hoofdstuk 'Materiaalmodellen (AASHTO) - Beton – Bruikbaarheid' in dit document.
De doorbuigingstoetsing zelf wordt ingeschakeld in het bovenste lint. De gebruiker stelt de grenswaarden voor de doorbuiging in volgens AASHTO LRFD (2024) artikel 2.5.2.6.2, afhankelijk van het type element dat wordt geanalyseerd.

Doorbuigingen bij ingekorte uiteinden kunnen niet worden getoetst.
Scheurwijdte
Scheurwijdten en scheurrichtingen worden alleen berekend voor langetermijneffecten (met Ec,eff volgens AASHTO LRFD (2024) artikel C5.12.5.3.6) voor combinaties waarvoor de scheurwijdtebeoordeling is ingeschakeld. De toetsingen op basis van door de gebruiker opgegeven grenswaarden zijn als volgt:
waarin:
w scheurwijdte berekend met de EEM-analyse,
wlim grenswaarde van de scheurwijdte, gedefinieerd door de gebruiker.
De grenswaarde wlim moet worden bepaald op basis van het elementtype en de milieuklasse volgens AASHTO LRFD (2024) artikel 5.6.7 en de bijbehorende toelichting.
Er zijn twee manieren om scheurwijdten te berekenen (gestabiliseerde en niet-gestabiliseerde scheurvorming). In het algemene geval (gestabiliseerde scheurvorming) wordt de scheurwijdte berekend door de rekken te integreren over 1D-elementen van wapeningsstaven. De scheurrichting wordt vervolgens berekend uit de drie dichtstbijzijnde integratiepunten (gerekend vanaf het midden van het betreffende 1D-eindige element van de wapening) van 2D-betonelementen. Deze benadering voor het berekenen van de scheurrichtingen komt weliswaar niet overeen met de werkelijke positie van de scheuren, maar levert toch representatieve waarden op. Deze leiden tot scheurwijdteresultaten die kunnen worden vergeleken met de door de norm vereiste scheurwijdten ter plaatse van de wapeningsstaaf.
7 Constructieve toetsingen volgens de Australische norm AS 3600 (2018)
De beoordeling van de constructie met de CSFM wordt uitgevoerd met twee verschillende analyses: één voor de bruikbaarheid en één voor de sterktebelastingcombinaties. De bruikbaarheidsanalyse gaat ervan uit dat het gedrag onder gefactoreerde belastingen voldoende is en dat de vloeicriteria van het materiaal bij belastingen op bruikbaarheidsniveau niet worden bereikt. Deze aanpak maakt het mogelijk om vereenvoudigde constitutieve modellen (met een lineaire tak van het spanning-rekdiagram van beton) te gebruiken voor de bruikbaarheidsanalyse. Dit verbetert de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid.
De CSFM is een constructieve analysemethode die voldoet aan de algemene regels in hoofdstuk 6.1.1 en 6.1.2 en wordt gedefinieerd als (f) niet-lineaire spanningsanalyse in hoofdstuk 6.1.3 - verder uitgewerkt in hoofdstuk 6.6.
De analyse met de CSFM houdt rekening met alle relevante niet-lineaire en inelastische effecten (behalve krimp) zoals gedefinieerd in 6.6.3.
Om te voldoen aan de eisen in sectie 6.6.4 en 6.6.5 - meer informatie is te vinden in AS3600:2018 Sup 1:2022 sectie C6.6 - zijn verificaties en validaties van de methode uitgevoerd aan diverse universiteiten. Afzonderlijke artikelen waarin de resultaten van verificatie en validatie zijn samengevat, zijn te vinden via de volgende link.
Omdat IDEA StatiCa Detail een praktisch ontwerpprogramma is, wordt voor de berekeningen de gefactoreerde karakteristieke cilinderdrukssterkte na 28 dagen f'c gebruikt, zoals beschreven in het volgende hoofdstuk.
7.1 Materiaalmodellen (AS 3600)
Beton - Sterkte
Het betonmodel dat in CSFM voor sterkteberekeningen is geïmplementeerd, is gebaseerd op de parabolisch-plastische spanning-rekcurve. De treksterkte wordt verwaarloosd, zoals gebruikelijk is bij klassiek gewapend betonontwerp.

De implementatie van CSFM in IDEA StatiCa Detail hanteert voor beton onder druk geen expliciet bezwijkcriterium in termen van rek (na het bereiken van de piekspanning wordt een plastische tak aangehouden met εc0 met een maximale waarde van 5%, terwijl AS 3600 Cl. 8.3.1 uitgaat van een uiterste rek van minder dan 0,3%). Door deze vereenvoudiging kan het vervormingsvermogen van constructies die door druk bezwijken niet worden geverifieerd. De sterkte wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2, gedefinieerd in (Fig. 77)), ook de toename van de brosheid van beton bij toenemende sterkte wordt meegenomen door middel van de reductiefactor zoals gedefinieerd in fib Model Code 2010:
waarin:
α2 de reductiefactor is voor de druksterkte van beton, gedefinieerd in AS 3600 Cl. 8.3.1
Bij gebruik van een parabool-rechthoek spanning-rekdiagram moet de maximale drukspanning met deze factor worden gereduceerd. Hierdoor wordt de spanningsverdeling in de drukzone zodanig gemiddeld dat de resulterende druksterkte kleiner is dan of gelijk is aan de druksterkte berekend met een spanning-rekdiagram met een dalende plastische tak. Een analoge benadering is gedefinieerd voor het rechthoekige spanningsblok in Hoofdstuk 8.1.3.
Φs de spanningsreductiefactor voor beton is. De standaardwaarde is ingesteld volgens AS 3600 Table 2.2.3.
β de reductiefactor is vanwege de aanwezigheid van dwarsscheuren (in deze tekst ook aangeduid als kc2)
f'c de cilinderdruksterkte van beton is (in MPa voor de definitie van ).
β is een reductiefactor die op dezelfde principes is gebaseerd als de factor voor de effectieve druksterkte, gedefinieerd in Hoofdstuk 2.2.3. De literatuur waarop deze factor is gebaseerd, is (inclusief de context van de norm AS3600) te vinden in AS3600:2018 Sup 1:2022 CL. C2.2.3.
Beton – Bruikbaarheid
De bruikbaarheidsanalyse bevat enkele vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die voor de sterkteanalyse worden gebruikt. De plastische tak van de spanning-rekcurve van beton onder druk wordt buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. Het compression softening-model wordt niet toegepast. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en verminderen de algemeenheid van de oplossing niet, zolang de resulterende materiaalspanningen in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder hun vloeigrens blijven (zoals vereist door AS3600). De vereenvoudigde modellen voor bruikbaarheid zijn daarom alleen geldig als aan alle toetsingseisen wordt voldaan.

Langetermijneffecten
In de bruikbaarheidsanalyse worden de langetermijneffecten van beton meegenomen met de rekenwaarde van de kruipcoëfficiënt volgens AS 3600 CL 3.1.8 (φcc, standaard een waarde van 2,5), die de secant-elasticiteitsmodulus van beton (Ec) als volgt aanpast:
Belastingstappen worden achtereenvolgens berekend in de volgorde: voorspanning - permanent - veranderlijk, waarbij voor elke stap de passende effectieve elasticiteitsmodulus wordt gebruikt, zoals weergegeven in Fig. 78. Kruipfactoren worden door de gebruiker gedefinieerd in de materiaaleigenschappen en moeten worden berekend volgens AS 3600 CL 3.1.8.3

Korte-termijneffecten
Voor de kortetermijntoetsingen wordt een aparte berekening uitgevoerd waarin alle belastingen zonder de tijdsafhankelijke factor voor langdurige belastingen worden berekend. Beide berekeningen, voor lange- en korte-termijntoetsingen, zijn weergegeven in Fig. 78.
Wapening
Voor de niet-voorgespannen wapening wordt een perfect elastisch-plastisch spanning-rekdiagram met een gedefinieerd vloeipunt aangehouden, zie AS 3600 Section 3.2. Voor de definitie van dit diagram zijn alleen de basiseigenschappen van de wapening nodig – de sterkte en de elasticiteitsmodulus.
Het spanning-rekdiagram van de wapening kan ook door de gebruiker worden gedefinieerd, maar in dat geval is het niet mogelijk om het tension stiffening-effect mee te nemen (de scheurwijdte kan dan niet worden berekend).

waarin:
Φs de sterktereductiefactor voor wapening is. De standaardwaarde is ingesteld volgens AS 3600 Table 2.2.3.
fy de vloeigrens van de wapening is
Es de elasticiteitsmodulus van de wapening is
Tension stiffening (Fig. 81) wordt automatisch meegenomen door de ingevoerde spanning-rekrelatie van het blanke wapeningsstaal aan te passen, zodat de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven wordt weergegeven (εm).

7.2 Spanningsreductie en belastingsfactoren
De Compatible Stress Field Method voldoet aan moderne ontwerpnormen. Aangezien de rekenmodellen uitsluitend standaard materiaaleigenschappen gebruiken, kan het in de ontwerpnormen voorgeschreven formaat met partiële veiligheidsfactoren zonder aanpassing worden toegepast. Op deze manier worden de invoerbelastingen met factoren vermenigvuldigd en de karakteristieke materiaaleigenschappen verlaagd met de betreffende spanningsreductiefactoren, precies zoals bij conventionele betonberekeningen.
De waarden van de spanningsreductiefactoren zijn voorgeschreven in AUS 3600 Cl. 2.2.3. De standaardwaarden voor beton en wapening zijn ingesteld volgens Tabel 2.2.3

Belastingsfactoren voor sterktecombinaties worden gedefinieerd volgens AS 3600 Cl. 4.2.2. Belastingsfactoren voor bruikbaarheidscombinaties worden bepaald volgens Tabel 4.1. Voor alle templates zijn de belastingsfactoren al vooraf gedefinieerd.

7.3 Sterkte- en verankeringscontroles
De verschillende controles die AS 3600 voorschrijft, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De controles worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de sterkte van de wapening en de verankering (afschuifspanningen in de aanhechting).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc (ook σ2 in Aanvullende resultaten) uit de FE-analyse en de grenswaarde f'c,lim.
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening ter plaatse van de scheuren fs en de opgegeven grenswaarde fsy,lim.
De afschuifspanning in de aanhechting wordt onafhankelijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtingsspanning τb, berekend met de FE-analyse, en de rekenwaarde van de uiterste aanhechtingsspanning fbu.
Voor het bepalen van de rekenwaarde van de uiterste aanhechtingsspanning fbu wordt in de applicatie formule C13.1.2.2 uit AS3600:2018 Sup 1:2022 gehanteerd.
Hierbij geldt f'c ≤ 65 MPa (in de formule in MPa) en worden de k-factoren als volgt bepaald volgens AS 3600 Cl. 13.1.2.2:
k3 = 0.7 (conservatieve waarde voor alle wapening)
k2 = (132 - db) / 100 (db is de diameter van het wapeningsstaal in millimeters)
= 1.3 voor een horizontale staaf met meer dan 300 mm beton gestort onder de staaf, anders 1.0
k1 wordt automatisch afgeleid uit de positie van de wapening in het model en uit de stortrichting, die in de applicatie voor elk projectitem als volgt kan worden ingesteld.

De basisverankeringslengte Lsy,tb wordt berekend volgens formule 13.1.2.2 in AS 3600 als volgt:
Zoals uit de formule blijkt, is de basisverankeringslengte Lsy,tb aan de onderzijde begrensd. Daarom moet de rekenwaarde van de uiterste aanhechtingsspanning fbu in de applicatie op dezelfde wijze worden begrensd, zodat het volgende geldt:
Hierbij is fsy in MPa.
De afleiding van de begrenzing van fbu is als volgt:
Het is ook mogelijk om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie vindt u hier: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden bepaald.
waarbij As de oppervlakte van de wapeningsstaaf is en fs de spanning in de staaf.
Of als de som van de verankeringskracht Fa en de aanhechtingskracht Fbond.
waarbij Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtingskracht, die kan worden verkregen door de aanhechtingsspanning τb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de sterkte van de wapening en ook met de verankeringsomstandigheden (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enz.).
waarbij Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarbij Flim,add de extra kracht is, berekend uit de grootte van de hoek tussen aangrenzende elementen. Flim,2 moet altijd kleiner zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen in CSFM omvatten een rechte staaf (d.w.z. zonder reductie voor het verankeringseinde), standaard cog, standaard haak, perfecte aanhechting en doorlopende staaf. Al deze typen worden, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, voor langswapening weergegeven in Fig. 86. De waarden van de toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn afgeleid uit AS 3600 Cl. 13.1.2. Opgemerkt moet worden dat CSFM drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 50% van de verankeringslengte bij een genormaliseerde verankering en (iii) perfecte aanhechting.

De verankeringscoëfficiënt voor beugels is altijd β = 1.0.
Om aan AS 3600 te voldoen, moet de verankeringsveer in de berekening worden gebruikt. De verankeringsveer wordt aangepast met de coëfficiënt β, dus de gebruiker moet een van de beschikbare verankeringstypen kiezen bij het definiëren van de begin- en eindcondities van de wapening.
8 Constructieve toetsingen volgens CSA A23.3:24
De beoordeling van de constructie met de CSFM wordt uitgevoerd met twee verschillende analyses: één voor de bruikbaarheid en één voor de sterktebelastingcombinaties. De bruikbaarheidsanalyse gaat ervan uit dat het gedrag onder gefactoreerde belastingen voldoende is en dat de vloeicriteria van het materiaal bij belastingen op bruikbaarheidsniveau niet worden bereikt. Deze aanpak maakt het mogelijk om vereenvoudigde constitutieve modellen (met een lineaire tak van het spanning-rekdiagram van beton) te gebruiken voor de bruikbaarheidsanalyse. Dit verbetert de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid.
De CSFM is een constructieve analysemethode die voldoet aan de eisen voor eindige-elementenanalyse in CSA A23.3:24 clausule 9.5. De effecten van scheurvorming worden direct in de materiaalmodellen meegenomen (clausule 9.5.1), de verankering van de wapening wordt expliciet beschouwd (clausule 9.5.3), en scheurbeheersing en doorbuigingen worden getoetst als onderdeel van de bruikbaarheidstoetsingen (clausule 9.5.5). Omdat de CSFM een continue spanningsveldmethode is, is zij ook consistent met de analyse met Staafwerkmodellen die clausule 9.4 toestaat. De begrenzing van de drukspanning in de drukdiagonalen volgens clausule 11.4.2.3 komt tot uiting in de begrensde druksterkte van het beton (zie hieronder de definitie van de factoren α en kc2 ).
Verificatie en validatie van de methode zijn uitgevoerd aan diverse universiteiten. Afzonderlijke artikelen waarin de resultaten van verificatie en validatie zijn samengevat, zijn te vinden via de volgende link.
Omdat IDEA StatiCa Detail een praktisch ontwerpprogramma is, wordt voor de berekeningen de gefactoreerde gespecificeerde druksterkte van het beton f'c gebruikt, zoals beschreven in het volgende hoofdstuk.
8.1 Materiaalmodellen (CSA)
Beton - Sterkte
Het betonmodel dat in CSFM is geïmplementeerd voor sterkteberekeningen is gebaseerd op de parabolisch-plastische spanning-rekkromme. De treksterkte wordt verwaarloosd, zoals gebruikelijk is bij het klassieke ontwerp van gewapend beton. Voor de ontwerpnorm CSA wordt alleen het parabool-rechthoekdiagram voor beton ondersteund.

De implementatie van CSFM in IDEA StatiCa Detail houdt geen rekening met een expliciet bezwijkcriterium in termen van rekken voor beton onder druk (na het bereiken van de piekspanning wordt een plastische tak aangehouden met εc met een maximumwaarde van 5%, terwijl CSA A23.3:24 artikel 10.1.3 uitgaat van een maximale betondrukrek van 0,0035). Door deze vereenvoudiging kan het vervormingsvermogen van constructies die onder druk bezwijken niet worden geverifieerd. De sterkte wordt echter correct voorspeld wanneer, naast de factor voor gescheurd beton (kc2 gedefinieerd in Fig. 90), ook de toename van de brosheid van beton bij toenemende sterkte wordt meegenomen via de reductiefactor ηfc zoals gedefinieerd in fib Model Code 2010:
waarbij:
α de factor is die rekening houdt met de verschillen tussen de sterkte in het werk en de sterkte van de standaardcilinder volgens CSA A23.3:24 artikel 10.1.6. De opmerking bij dit artikel vereist dat spanningsblokken gebaseerd zijn op spanning-rekkrommen met een piekspanning van ten hoogste 0,9 f'c. De factor sluit ook aan bij de eis om de drukspanning in drukdiagonalen te beperken volgens artikel 11.4.2.3. De standaardwaarde is 0,85 en kan worden aangepast in de Projectinstellingen.
Opmerking: α is één door de gebruiker gedefinieerde waarde die wordt toegepast op het parabool-rechthoek spanning-rekdiagram. Verwar deze niet met de factor α1 van de equivalente rechthoekige betonspanningsverdeling, die in CSA A23.3:24 artikel 10.1.7 als sterkteafhankelijk wordt gedefinieerd (α1 = 0,85 − 0,0015 f'c ≥ 0,67, vergelijking 10.1).
Φc is de weerstandsfactor voor beton volgens CSA A23.3:24 artikel 8.4.2.
kc2 is de reductiefactor als gevolg van de aanwezigheid van dwarsscheuren (compression softening).
f'c is de voorgeschreven druksterkte van beton (in MPa voor de definitie van ηfc).
Bij gebruik van een parabool-rechthoek spanning-rekdiagram is het noodzakelijk om de maximale drukspanning te reduceren met de factor α. Hierdoor wordt de spanningsverdeling in de drukzone zodanig gemiddeld dat de resulterende druksterkte kleiner is dan of gelijk is aan de druksterkte die wordt berekend met een spanning-rekdiagram met een dalende plastische tak. Een vergelijkbare benadering is gedefinieerd voor de equivalente rechthoekige betonspanningsverdeling in CSA A23.3:24 artikel 10.1.7, waarbij de gefactoreerde betonspanning α1 Φc f'c wordt verondersteld gelijkmatig verdeeld te zijn over de equivalente drukzone.
kc2 is een reductiefactor die gebaseerd is op dezelfde aannames als de beperking van de drukspanning in drukdiagonalen in CSA A23.3:24 artikel 11.4.2.3, met dit verschil dat in CSFM de aanwezigheid van een hoofdrek (trek) loodrecht op de hoofdspanning (druk) voor elk eindig element wordt getoetst (en niet alleen voor de drukdiagonalen en knoopgebieden van het staafwerkmodel).
Beton – Bruikbaarheid
De bruikbaarheidsberekening bevat enkele vereenvoudigingen van de constitutieve modellen die voor de sterkteberekening worden gebruikt. De plastische tak van de spanning-rekkromme van beton onder druk wordt buiten beschouwing gelaten, terwijl de elastische tak lineair en oneindig is. De compression softening wordt niet meegenomen. Deze vereenvoudigingen verbeteren de numerieke stabiliteit en de rekensnelheid en verminderen de algemeenheid van de oplossing niet, zolang de resulterende materiaalspanningen in de bruikbaarheidsgrenstoestand duidelijk onder hun vloeigrens blijven (conform de bruikbaarheidseisen van CSA A23.3:24 artikel 9.8 en artikel 18.3 voor voorgespannen staven). De vereenvoudigde modellen die voor bruikbaarheid worden gebruikt, zijn daarom alleen geldig als aan alle toetsingseisen is voldaan.
Langetermijneffecten
De langetermijn constitutieve wet wordt gebruikt voor de berekening van de scheurwijdte, de totale doorbuiging en de spanningsbeperking van voorgespannen staven wanneer het langetermijneffect is geselecteerd in het bovenste lint.
In de IDEA StatiCa Detail applicatie wordt de elasticiteitsmodulus Ec aangepast om het langetermijngedrag van de constructie te bepalen via de tijdsafhankelijke factor s. De aangepaste elasticiteitsmodulus wordt aangeduid als Ec,eff – zie Figuur 92.
Als we aannemen dat de vervorming van het element wordt uitgedrukt als rek, kan worden geschreven:
waarbij:
ε0 de kortetermijnrek is (zonder invloed van kruip) en εcreep de rek is die door kruip wordt veroorzaakt.
Met de wet van Hooke kunnen we schrijven:
Door en te substitueren, krijgen we:
waarbij:
Ec de elasticiteitsmodulus van beton is zoals gedefinieerd in CSA A23.3:24 artikel 8.6.2.2
s de tijdsafhankelijke factor is. Drie factoren kunnen door de gebruiker worden gedefinieerd in het tabblad Materialen en moeten worden bepaald in overeenstemming met de factor voor doorbuigingen onder langdurige belastingen ζs uit CSA A23.3:24 artikel 9.8.2.5 (artikel 9.8.4.4 voor voorgespannen staven):

Kortetermijneffecten
Om de kortetermijntoetsingen uit te voeren, wordt een tweede berekening uitgevoerd waarin alle belastingen zonder de tijdsafhankelijke factor worden berekend. Beide berekeningen voor de lange- en kortetermijntoetsingen zijn weergegeven in Fig. 92.
Wapening
Voor de niet-voorgespannen wapening wordt een perfect elastisch-plastisch spanning-rekdiagram met een gedefinieerde vloeigrens aangehouden. De wapeningsmaterialen zijn gedefinieerd volgens CSA G30.18:21. Voor de definitie van dit diagram zijn alleen de basiseigenschappen van de wapening nodig – de sterkte en de elasticiteitsmodulus.
Het spanning-rekdiagram van de wapening kan ook door de gebruiker worden gedefinieerd, maar in dat geval is het niet mogelijk het tension stiffening effect mee te nemen (het is niet mogelijk de scheurwijdte te berekenen).

waarbij:
Φs de weerstandsfactor voor wapening is volgens CSA A23.3:24 artikel 8.4.3.
fsy de vloeigrens van de wapening is
Es de elasticiteitsmodulus van de wapening is
10% is gekozen als de grensrek waarbij de berekening wordt gestopt. Dit wordt als veilig beschouwd op basis van ASTM A955/A955M-20c artikel 7.
Tension stiffening (Fig. 94) wordt automatisch meegenomen door de invoer van de spanning-rekrelatie van het blote wapeningsstaal aan te passen, zodat de gemiddelde stijfheid van de in het beton ingebedde staven wordt vastgelegd (εm).

8.2 Weerstands- en belastingfactoren
De Compatible Stress Field Method voldoet aan moderne ontwerpnormen. Omdat de rekenmodellen uitsluitend standaard materiaaleigenschappen gebruiken, kan het in de ontwerpnormen voorgeschreven formaat met partiële veiligheidsfactoren zonder aanpassing worden toegepast. Op deze manier worden de invoerbelastingen gefactoreerd en de opgegeven materiaaleigenschappen gereduceerd met de bijbehorende weerstandsfactoren, precies zoals bij conventionele betonberekeningen.
De waarden van de materiaalweerstandsfactoren zijn voorgeschreven in CSA A23.3:24, artikel 8.4. De gefactoreerde betonsterkte is gedefinieerd in artikel 8.4.2 en de gefactoreerde kracht in wapening en spanelementen in artikel 8.4.3. De standaardwaarden in IDEA StatiCa Detail komen overeen met de waarden uit deze artikelen voor constructies die zijn ontworpen volgens artikel 8. Ze zijn dus niet aangepast aan de gereduceerde materiaalfactoren die zijn toegestaan voor prefabbetoncentrales die gecertificeerd zijn volgens artikel 16.1.3. Wordt een dergelijk geval beoordeeld, dan kan de gebruiker de waarden van de weerstandsfactoren wijzigen in de Projectinstellingen.

waarbij:
- Φc de weerstandsfactor voor beton is volgens CSA A23.3:24, artikel 8.4.2.
- Φs de weerstandsfactor is voor wapeningsstaal en ingestorte stalen ankers volgens CSA A23.3:24, artikel 8.4.3 a).
- Φp de weerstandsfactor is voor spanelementen voor voorspanning volgens CSA A23.3:24, artikel 8.4.3 b).
Naast de materiaalweerstandsfactoren wordt in de Projectinstellingen de factor α gedefinieerd, die rekening houdt met de verschillen tussen de sterkte in het werk en de sterkte van de standaardcilinder. Deze factor wordt beschreven in hoofdstuk 8.1. De standaardwaarde van 0,85 weerspiegelt zowel de eis van CSA A23.3:24, artikel 10.1.6, als de limiet voor de drukspanning in drukdiagonalen uit artikel 11.4.2.3.

Belastingfactoren en belastingcombinaties worden bepaald volgens de geldende bouwvoorschriften, zoals vereist in CSA A23.3:24, artikel 8.2.1 en artikel 8.3.1. CSA A23.3:24 zelf specificeert eisen in overeenstemming met de National Building Code of Canada (artikel 1.1). Een aangepaste versie van de bepalingen voor belastingcombinaties is opgenomen in CSA A23.3:24, bijlage C (informatief). De belastingcombinaties voor de uiterste grenstoestanden staan in tabel C.1 a) voor belastinggevallen zonder kraanbelastingen en in tabel C.1 b) voor belastinggevallen met kraanbelastingen. Maatgevend is de combinatie die het meest kritieke effect geeft. Voor de belastingfactoren van de horizontale gronddruk H, de beperkte vervormingseffecten uit voorspanning P en de opgelegde vervorming T gelden volgens artikel C.1.2.4 respectievelijk de waarden 1,5, 1,0 en 1,25.
De belastingcombinaties voor de bruikbaarheidsgrenstoestanden worden genomen als de combinatie die het ongunstigste effect geeft voor de beschouwde grenstoestand, zoals vereist in artikel 8.3.3.
Omdat IDEA StatiCa Detail ook wordt gebruikt voor het ontwerp van brugdetails – zoals landhoofdbalken, dwarsdragers en landhoofden – moet worden opgemerkt dat de belastingcombinaties en belastingfactoren van de National Building Code of Canada uit bijlage C gelden voor gebouwen. Voor snelwegbruggen in Canada is het maatgevende document de Canadian Highway Bridge Design Code CSA S6, die eigen belastingen, belastingcombinaties en belastingfactoren definieert. In dergelijke gevallen worden de belastingfactoren en combinaties in plaats daarvan bepaald volgens CSA S6. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de belastingcombinaties te definiëren die relevant zijn voor de te beoordelen constructie en voor de editie van de norm die door de bevoegde autoriteit wordt afgedwongen.

De volgende typen belastinggevallen zijn beschikbaar in de applicatie:
- Voorspanning
- Permanent
- Veranderlijk
Aan elke combinatie is een grenstoestand toegekend. Deze bepaalt zowel de materiaalmodellen die in de analyse worden gebruikt als de normtoetsingen die worden uitgevoerd:
- UGT – de sterktetoetsingen die in hoofdstuk 8.3 worden beschreven, worden uitgevoerd met het parabool-rechthoekmodel voor beton.
- BGT – de bruikbaarheidstoetsingen die in hoofdstuk 8.5 worden beschreven, worden uitgevoerd met de lineaire materiaalmodellen voor beton. Er worden twee subtypen van de bruikbaarheidscombinatie onderscheiden:
- Blijvende belasting – voorspanning plus permanente belasting, gebruikt voor de toetsing van de spanningsbegrenzing van voorgespannen staven onder blijvende belasting.
- Totale belasting – voorspanning, permanente en tijdelijke belasting, gebruikt voor de toetsing van de spanningsbegrenzing van voorgespannen staven onder totale belasting.
Voor elke bruikbaarheidscombinatie bepaalt de gebruiker bovendien of de combinatie actief is voor de toetsing van de scheurwijdte en voor de toetsing van de doorbuiging.

Voor elk template bevat het programma vooraf gedefinieerde basiscombinaties die moeten worden aangevuld, afhankelijk van het element dat wordt verwerkt.
8.3 Uiterste grenstoestand
De verschillende toetsingen die CSA A23.3:24 vereist, worden beoordeeld op basis van de directe resultaten van het model. De toetsingen worden uitgevoerd voor de betonsterkte, de wapeningssterkte en de verankering (aanhechtingsschuifspanningen).
De betonsterkte op druk wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc (ook σc2 in de aanvullende resultaten) uit de FE-analyse en de grenswaarde f'c,lim.
De sterkte van de wapening wordt zowel op trek als op druk bepaald als de verhouding tussen de spanning in de wapening ter plaatse van de scheuren fs en de gespecificeerde grenswaarde fsy,lim.
De aanhechtingsschuifspanning wordt afzonderlijk bepaald als de verhouding tussen de aanhechtingsspanning τb uit de FE-analyse en de rekenwaarde van de aanhechtingssterkte fbu.
CSA A23.3:24 definieert de aanhechtingssterkte niet expliciet. Het is echter de grootheid waarvan de bepalingen voor de verankeringslengte in artikel 12 zijn afgeleid, zodat deze eruit kan worden herleid. De afleiding verloopt in enkele stappen.
De verankeringslengte ld is per definitie de inbeddingslengte waarover de aanhechting alleen de volledige vloeikracht van de staaf in het beton overdraagt. Als een staaf over ld of meer is ingebed, leidt uittrekken tot vloeien van de staaf in plaats van bezwijken van de aanhechting. Door de kracht die wordt overgedragen door een uniforme aanhechtingsspanning fbu op de omtrek van de staaf gelijk te stellen aan de vloeikracht van de staafdoorsnede, volgt:
waarin:
- db de nominale staafdiameter is en π db ld het aanhechtingsoppervlak;
- Ab = π db2 / 4 de doorsnede van de staaf is;
- fyg de gespecificeerde vloeigrens van de wapening is.
Dit kunnen we schrijven als:
De vereenvoudigde vergelijkingen voor de verankeringslengte op trek van geribbelde staven staan in CSA A23.3:24 Tabel 12.1 (artikel 12.2.3). De applicatie hanteert het tweede, conservatievere geval met de aanduiding Overige gevallen.
In de applicatie zijn de modificatiefactoren uit CSA A23.3:24 Tabel 12.2 (artikel 12.2.4) kc = 1,0, omdat alleen ongecoate wapening wordt ondersteund, en ka = 1,0, omdat alleen beton met normale dichtheid wordt ondersteund. De toegepaste uitdrukking is daarom
Door deze uitdrukking in de evenwichtsvoorwaarde te substitueren, vervalt de verankeringslengte:
Zowel fyg als db komen voor in de teller en in de noemer en vallen daarom weg:
Uitwerking van de constante, 1 / 2,4 = 0,4167, afgerond op 0,42, levert de in de applicatie toegepaste rekenwaarde van de aanhechtingssterkte op:
De modificatiefactoren worden bepaald volgens CSA A23.3:24 Tabel 12.2 (artikel 12.2.4):

Conform CSA A23.3:24 artikel 12.1.2 bedraagt de maximaal toelaatbare waarde van √f'c bij de berekening van verankeringslengten 8 MPa.
De factor k1 wordt automatisch afgeleid uit de positie van de wapening in het model volgens de onderstaande figuur:

Bij slechte aanhechtingsomstandigheden is k1=1,3
De stortrichting kan in de applicatie worden ingesteld.

De aanhechtingsschuifspanning en de aanhechtingssterkte van staven op druk worden analoog aan die van staven op trek berekend, maar daarbij worden de vergelijkingen voor de verankeringslengte op druk uit CSA A23.3:24 artikel 12.3.2 gebruikt.
Het is ook mogelijk om gladde wapeningsstaven te modelleren. Meer informatie is hier te vinden: Gladde wapeningsstaven in Detail
Totale kracht Ftot en grenskracht Flim
De totale kracht Ftot is een resultaat van de eindige-elementenanalyse en kan op twee manieren worden bepaald.
waarin As de doorsnede van de wapeningsstaaf is en fs de spanning in de staaf.
Of als de som van de verankeringskracht Fa en de aanhechtingskracht Fbond.
waarin Fa de werkelijke kracht in de verankeringsveer is en Fbond de aanhechtingskracht, die kan worden verkregen door de aanhechtingsspanning τb te integreren over de lengte van de wapeningsstaaf l.
Cs is de omtrek van de wapeningsstaaf.
De grenskracht Flim is de maximale kracht in het element van de wapeningsstaaf, rekening houdend met de sterkte van de staaf en ook met de verankeringsomstandigheden (aanhechting tussen beton en wapening en verankeringshaken, lussen, enzovoort).
waarin Cs de omtrek van de wapeningsstaaf is en l de lengte vanaf het begin van de wapeningsstaaf tot het beschouwde punt.

waarin Flim,add de extra kracht is die wordt berekend uit de grootte van de hoek tussen naburige elementen. Flim,2 moet altijd kleiner zijn dan Fu.
De beschikbare verankeringstypen voor langs- en dwarswapening volgen de haken en buigingen die zijn gedefinieerd in CSA A23.1:19 artikel 6.6.2. Een standaardhaak is in artikel 6.6.2.2 gedefinieerd als een halfronde buiging (180 graden) of een buiging van 90 graden met de voorgeschreven verlenging aan het vrije uiteinde van de staaf. Voor de verankering van beugels en bindbeugels is een buiging van 90 graden of van 135 graden gedefinieerd. De in CSFM beschikbare verankeringstypen voor langswapening zijn een rechte staaf (dus zonder reductie voor het verankeringseinde), een buiging van 90 graden, een buiging van 180 graden, volledige aanhechting en een doorlopende staaf. Al deze typen zijn, samen met de bijbehorende verankeringscoëfficiënten β, weergegeven in Fig. 103.

Opgemerkt moet worden dat CSFM, ondanks de verschillende beschikbare opties, drie typen verankeringseinden onderscheidt: (i) geen reductie van de verankeringslengte, (ii) een reductie van 30% van de verankeringslengte in het geval van een genormaliseerde verankering en (iii) volledige aanhechting. De toegepaste verankeringscoëfficiënten zijn als volgt:
De verankeringscoëfficiënt voor beugels (beschikbaar voor het Beam-element) is altijd β = 1,0.
Om aan CSA A23.3 te voldoen, moet in de berekening de verankeringsveer worden gebruikt. De verankeringsveer wordt gewijzigd met de coëfficiënt β, dus de gebruiker moet bij het definiëren van de begin- en eindvoorwaarden van de wapening een van de beschikbare verankeringstypen gebruiken.
8.4 Weerstand van oplegzones en verankeringszones – Gedeeltelijk belaste oppervlakken
Bij het ontwerpen van betonconstructies komen we twee grote groepen gedeeltelijk belaste oppervlakken (PLA) tegen. De eerste groep omvat opleggingen, de tweede bestaat uit verankeringsgebieden.
Volgens de huidige normen voor het ontwerp van gewapende betonconstructies moeten bij opleggingen het plaatselijk verbrijzelen van het beton en dwarstrekkrachten worden beschouwd. Voor een gelijkmatig verdeelde belasting op een oppervlak A1 mag de drukcapaciteit van het beton, afhankelijk van het rekenverdelingsoppervlak A2, met maximaal een factor twee worden verhoogd. Zie CSA A23.3:24 artikel 10.8.1.
behalve wanneer het draagvlak aan alle zijden breder is dan het belaste oppervlak. In dat geval mag de opleggingsweerstand op het belaste oppervlak worden vermenigvuldigd met
waarin:
- A1 het belaste oppervlak is;
- A2 het rekenverdelingsoppervlak is, gemeten in het vlak dat wordt bepaald door de toelaatbare spreiding van de belasting;
- Φc de weerstandsfactor voor beton is volgens artikel 8.4.2, met een standaardwaarde van 0,65 (zie hoofdstuk 8.2).
Voor verankeringszones van voorspanning met nagerekt staal moet CSA A23.3:24 artikel 18.13 worden gevolgd. Artikel 18.13.1 vereist dat verankeringszones van voorspanning met nagerekt staal worden ontworpen om de gespecificeerde treksterkte van de spanelementen te weerstaan. Artikel 18.13.2 staat toe dat het ontwerp met een van de volgende methoden wordt uitgevoerd: evenwicht op basis van Staafwerk-modellen volgens artikel 11.4; elastische spanningsanalyse met eindige elementen methoden of een gelijkwaardige methode; methoden op basis van proeven; of vereenvoudigde vergelijkingen waar van toepassing. Artikel 18.13.4 vereist bovendien dat gebieden met spanningsconcentraties door abrupte doorsnedeveranderingen voldoende worden gewapend.
De tweede van deze methoden is degene die de CSFM vertegenwoordigt. Hierdoor is Detail direct toepasbaar voor het ontwerp van verankeringszones van spanelementen volgens CSA A23.3:24.
Het gedeeltelijk belaste oppervlak moet voldoende worden voorzien van dwarswapening, ontworpen om de splijtkrachten in dit gebied over te dragen, zoals vereist door artikel 10.8.2. Dit artikel schrijft wapening in oplegzones voor om barst-, splijt- en afschilferkrachten te weerstaan. Zonder de vereiste dwarswapening mag geen verhoging van de drukcapaciteit van het beton worden aangehouden.
Gedeeltelijk belaste oppervlakken in CSFM
Met CSFM is het mogelijk om gewapende betonconstructies te ontwerpen en te toetsen, waarbij de invloed van de toenemende drukweerstand van beton in gedeeltelijk belaste oppervlakken wordt meegenomen. Omdat CSFM een wandmodel (2D) is en gedeeltelijk belaste oppervlakken een ruimtelijk (3D) vraagstuk vormen, was het nodig een oplossing te vinden die deze twee verschillende typen vraagstukken combineert (Fig. 105). Als de functie “gedeeltelijk belaste oppervlakken” is geactiveerd, wordt de toelaatbare kegelgeometrie gecreëerd volgens de CSA (Fig. 104). Alle geometrische botsingen worden volledig in 3D opgelost voor de opgegeven geometrie van de betonnen staaf en de afmetingen van elk PLA. Vervolgens wordt een rekenmodel van het gedeeltelijk belaste oppervlak gemaakt.

Het aanpassen van het materiaalmodel bleek een ongeschikte aanpak, vooral omdat het toewijzen van eigenschappen aan de eindige elementen mesh problematisch is. Een aanpak die onafhankelijk is van de eindige elementen mesh bleek een geschiktere oplossing. Voor de bekende geometrie van de drukkegel worden volledig coherente fictieve drukdiagonalen gecreëerd (Fig. 105 en Fig. 106). Deze drukdiagonalen hebben dezelfde materiaaleigenschappen als het beton dat in het model wordt gebruikt, inclusief het spanning-rek diagram. De vorm van de kegel bepaalt de richting van de drukdiagonalen, die de belasting geleidelijk over het PLA naar het rekenverdelingsoppervlak verdelen. De oppervlaktedichtheid van de fictieve drukdiagonalen varieert in elk deel van de kegel en voegt een fictief betonoppervlak toe in de belastingsrichting. Ter hoogte van het belaste oppervlak (A1) wordt een fictief betonoppervlak toegevoegd volgens de verhouding (waarbij Areal het oppervlak van het steunpunt is dat in het 2D-rekenmodel wordt aangenomen). Dit oppervlak neemt lineair af tot nul in de richting van het rekenverdelingsoppervlak (A2). Deze oplossing zorgt ervoor dat de drukspanning in het beton constant is over het volledige kegelvolume.

De weerstand van het gedeeltelijk belaste oppervlak wordt verhoogd volgens de verhouding tussen het rekenverdelingsoppervlak en het belaste oppervlak, zoals vastgelegd in CSA A23.3:24 artikel 10.8.1. Houd er rekening mee dat dit een rekenmodel is dat de spanningstoestand over een gedeeltelijk belast oppervlak, waarvan de werkelijke krachtswerking veel complexer is, niet exact kan beschrijven. Deze oplossing maakt echter een correcte verdeling van de belasting over het hele model mogelijk, met inachtneming van de verhoogde draagcapaciteit van het gedeeltelijk belaste oppervlak. Bovendien worden dwarsspanningen in dit gebied correct geïntroduceerd, zodat de wapening voor splijtkrachten correct kan worden ontworpen.
De dichtheid wordt zo beperkt dat de maximale verdubbeling van de capaciteit, gegeven door de limiet √(A2/A1) ≤ 2 uit artikel 10.8.1, niet wordt overschreden.
Voor de verankeringszones wordt PLA in de applicatie op dezelfde manier gebruikt als voor opleggingen. De drukspanning ter plaatse van het verankeringsmiddel zelf moet daarom handmatig worden getoetst aan de eisen van artikel 18.13. In dit geval wordt PLA gebruikt om te voorkomen dat het rekcriterium in de lokale zone wordt overschreden en de berekening daardoor voortijdig stopt. De wapening die de barst-, splijt- en afschilferkrachten weerstaat, vereist door artikel 10.8.2, en de wapening van de gebieden met spanningsconcentraties, vereist door artikel 18.13.4, kunnen daarentegen direct en met voordeel in de applicatie worden geverifieerd.
8.5 Bruikbaarheidsgrenstoestand
De bruikbaarheidsgrenstoestanden van CSA A23.3:24 zijn gedefinieerd in artikel 8.1.4: doorbuigingen volgens artikel 8.1.4.1, lokale schade en scheurvorming volgens artikel 8.1.4.2, en trillingen volgens artikel 8.1.4.3. Bruikbaarheidstoetsingen in Detail worden uitgevoerd voor spanningsbegrenzing, scheurwijdte en doorbuigingslimieten. Trillingen worden niet beoordeeld.
Alle bruikbaarheidstoetsingen worden uitgevoerd met de lineaire materiaalmodellen die in hoofdstuk 8.1 zijn beschreven, voor de bruikbaarheidscombinaties die in hoofdstuk 8.2 zijn beschreven. Er zijn zowel een kortetermijn- als een langetermijnberekening beschikbaar, waarbij respectievelijk de gemiddelde elasticiteitsmodulus Ec en de effectieve modulus Ec,eff, worden gebruikt.
Spanningsbegrenzing
De toetsing van de spanningsbegrenzing wordt alleen uitgevoerd voor voorgespannen staven, d.w.z. alleen als het belastinggeval Voorspanning in het model aanwezig is, conform artikel 18.3.
CSA A23.3:24 vereist dat zowel de spanningen in het beton als in de spanelementen worden getoetst. De toelaatbare spanningen in spanelementen uit artikel 18.4 gelden voor de vijzelkracht en voor de toestand direct na het overdragen van de voorspanning, d.w.z. ze moeten tijdens het spannen worden geverifieerd; dit valt buiten de reikwijdte van het model en wordt daarom niet beoordeeld in Detail.
De drukspanning in het beton wordt bepaald als de verhouding tussen de maximale hoofddrukspanning fc = σc2 uit de FE-analyse voor bruikbaarheid en de grenswaarde. De limieten zijn die van artikel 18.3.2, dat van toepassing is op spanningen onder gespecificeerde belastingen en voorspanning na aftrek van alle voorspanverliezen:

In de applicatie wordt voorspanning plus permanente belasting behandeld als een langdurige belasting (Sustain load) en voorspanning, permanente en tijdelijke belasting als een totale belasting (Total load).

De twee limieten komen overeen met de twee subtypen van de bruikbaarheidscombinatie die in hoofdstuk 8.2 zijn beschreven: de combinatie met langdurige belasting wordt getoetst aan 0,45 f'c en de combinatie met totale belasting aan 0,60 f'c. Beide waarden kunnen worden aangepast in de projectinstellingen en elk van beide toetsingen kan afzonderlijk worden uitgeschakeld.

De spanning in het beton wordt berekend met lineaire spanning-rek-diagrammen. Voor elke bruikbaarheidscombinatie worden twee berekeningen uitgevoerd:
- korte termijn – de gemiddelde elasticiteitsmodulus van het beton Ec wordt gehanteerd;
- lange termijn – de effectieve elasticiteitsmodulus van het beton Ec,eff, inclusief kruip, wordt gehanteerd voor alle rekenstappen, d.w.z. voor het aanbrengen van de voorspanning, de permanente belastingen en de tijdelijke belastingen.
De kruipcoëfficiënten worden gedefinieerd als materiaaleigenschappen, zoals beschreven in hoofdstuk 8.1. Als de resultaten voor de werkelijke betonspanning fc worden weergegeven, is de functionaliteit voor het aanpassen van de paletlimiet beschikbaar.

Decompressie
Detail biedt ook een decompressietoetsing voor de voorspanwapening als een spanelement in het model is gedefinieerd. De toetsing verifieert dat het beton ter hoogte van het spanelement onder druk blijft, wat de voorwaarde is die ten grondslag ligt aan de trekspanningslimiet van artikel 18.3.2 c) voor de voorgedrukte getrokken zone.
Doorbuiging
CSA A23.3:24 vereist de berekening van drie verschillende typen doorbuiging, conform artikel 9.8.2 voor niet-voorgespannen staven en artikel 9.8.4 voor voorgespannen staven:
- Onmiddellijke – de doorbuiging veroorzaakt door de gedefinieerde belastingcombinatie, berekend met de gemiddelde elasticiteitsmodulus van het beton Ec, conform artikel 9.8.2.2;
- Langetermijn – de aanvullende doorbuiging veroorzaakt door de effecten van kruip en krimp, conform artikel 9.8.2.5;
- Totale – de doorbuiging veroorzaakt door de gedefinieerde belastingcombinatie, berekend met de effectieve elasticiteitsmodulus Ec,eff. De effectieve modulus wordt voor elke rekenstap – voorspanning, eigen gewicht en veranderlijke belasting – afzonderlijk berekend, met de kruipcoëfficiënten die in de betoneigenschappen zijn gedefinieerd, zoals beschreven in hoofdstuk 8.1.
De langetermijndoorbuiging is het verschil tussen de totale en de onmiddellijke doorbuiging.
De berekening wordt uitgevoerd voor alle combinaties die actief zijn voor de doorbuigingstoetsing, waarbij lineaire spanning-rek-diagrammen voor beton met de relevante elasticiteitsmodulus worden gehanteerd.
De resultaten worden weergegeven in de doorbuigingstoetsing. De gebruiker activeert of deactiveert de normtoetsing voor de totale en de onmiddellijke doorbuiging en definieert voor beide de grenswaarde.

De gegevensweergave toont een tabel met de resultaten van de onmiddellijke, de langetermijn- en de totale doorbuiging voor de geselecteerde belastingcombinatie.
De maximaal toelaatbare berekende doorbuigingen zijn gegeven in CSA A23.3:24 tabel 9.3, die onderscheid maakt naar het type staaf en de te beschouwen doorbuiging.
De grenswaarden moeten door de gebruiker worden bepaald op basis van het type element dat wordt geanalyseerd. Houd er rekening mee dat de limieten van tabel 9.3 voor het derde en vierde type staaf verwijzen naar het deel van de totale doorbuiging dat optreedt na het aanbrengen van de niet-constructieve elementen, terwijl Detail de totale doorbuiging vanaf het begin van de belastingsgeschiedenis weergeeft. De opmerkingen bij tabel 9.3 staan toe dat de langetermijndoorbuiging wordt verminderd met de hoeveelheid waarvan wordt berekend dat deze vóór dat aanbrengen optreedt; deze reductie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker.
Scheurwijdte
CSA A23.3:24 beheerst scheurvorming indirect in artikel 10.6.1 door middel van de scheurbeheersingsparameter z. De opmerking bij artikel 8.1.4.2 stelt expliciet dat "this Standard does not specifically limit crack widths", en de opmerking bij artikel 10.6.1 voegt toe dat de eisen van dat artikel mogelijk onvoldoende zijn voor constructies die worden blootgesteld aan zeer agressieve omstandigheden of die waterdicht moeten worden ontworpen.
De parameter z vertegenwoordigt een potentiële mate van scheurvorming in plaats van een fysieke scheurwijdte. Het onderliggende verband houdt geen rekening met de scheurafstand, die niet betrouwbaar kan worden voorspeld, zodat een waarde van z niet kan worden omgerekend naar een scheurwijdte en daarmee kan worden vergeleken.
Aangezien CSA A23.3:24 geen procedure geeft voor de berekening van een scheurwijdte, bepaalt Detail de scheurwijdte met de algemene CSFM-procedure, die onafhankelijk is van de ontwerpnorm: de gemiddelde rekken die langs de wapeningsstaven worden berekend, worden geïntegreerd over de scheurafstand die volgt uit het Tension Chord Model. De scheurwijdtetoetsing wordt uitgevoerd voor alle bruikbaarheidscombinaties waarvoor de eigenschap "Actief voor de scheurwijdtetoetsing" is geactiveerd.
De berekeningen worden uitgevoerd met lineaire spanning-rek-diagrammen voor beton. Voor elke bruikbaarheidscombinatie die aan de scheurwijdtetoetsing is toegewezen, worden de hierboven beschreven kortetermijn- en langetermijnberekeningen uitgevoerd.
De toetsing wordt als volgt weergegeven:
waarin:
- w de kortetermijn- of langetermijnscheurwijdte is, berekend met de FE-analyse;
- wlim de door de gebruiker gedefinieerde grenswaarde van de scheurwijdte is.
Aangezien CSA A23.3 geen grenswaarden voor scheurwijdten voorschrijft, moet de gebruiker wlim specificeren op basis van de blootstellingsomstandigheden en de eisen van het project.
Richtlijnen zijn te vinden in CSA S6:14, Canadian Highway Bridge Design Code, artikel 8.12.3.1 en tabel 8.6, die de maximale scheurwijdten in bruikbaarheidsgrenstoestanden specificeert voor het toepasselijke type constructief onderdeel en de toepasselijke blootstelling:

Deze waarden zijn vastgesteld voor verkeersbruggen. Voor gebouwen die zijn ontworpen volgens CSA A23.3 vormen ze geen verplichte eis, maar ze vertegenwoordigen de limieten die in de Canadese ontwerppraktijk worden gehanteerd voor de overeenkomstige blootstellingsomstandigheden.
Ze komen ook overeen met de grootheid die de applicatie bepaalt. CSA S6:14 artikel 8.12.3.2 berekent de scheurwijdte als w = kb βc srm εsm
d.w.z. als het product van een scheurafstand srm en een gemiddelde wapeningsrek εsm, wat dezelfde grootheid is die de CSFM verkrijgt door de berekende rekken langs de wapeningsstaven te integreren over de scheurafstand. De limieten van tabel 8.6 zijn daarom gedefinieerd voor een scheurwijdte van dezelfde aard als die welke door de applicatie wordt weergegeven, in tegenstelling tot een limiet die is afgeleid van een parameter voor de verdeling van de staven, zoals z.
9 Voorspanning - modelbeschrijving
Inleiding en materiaalmodellen
De Compatible Stress Field Method (CSFM) is een rekenmethode op basis van 2D-vlakspanningen, waarbij beton wordt gemodelleerd met 2D-eindige elementen waaraan 1D-wapeningselementen zijn gekoppeld via randvoorwaarden. Daarnaast kunnen speciale typen 1D-elementen aan het model worden toegevoegd die voorspanwapening met aanhechting representeren. Deze kunnen worden gemodelleerd als voorgerekt en als nagerekt.
Voorspanwapening wordt op dezelfde wijze gemodelleerd als gewone wapening, met lineaire elementen die de normaalkracht overdragen. Elk afzonderlijk voorspanwapeningselement wordt gekarakteriseerd door zijn oppervlakte en materiaaleigenschappen. Deze eigenschappen volgen uit de karakteristieke materiaalkromme volgens de toegepaste norm (EN 1992-1-1, ACI 318-19, enz.)
EUROCODE
Spanning-rekdiagram van voorspanwapening: a) spanning-rekdiagram zoals gedefinieerd in EN 1992-1-1; b) initiële rek voor voorgerekte wapening

ACI
Spanning-rekdiagram van voorspanwapening: a) spanning-rekdiagram; b) initiële rek voor voorgerekte wapening

De wapeningselementen worden via een aanhechtingsmodel verbonden met de 2D-elementen van het betonmodel, op dezelfde manier als de klassieke betonwapening.
De elementen van het aanhechtingsmodel laten een relatieve vervorming van de voorspanwapening en het beton toe met geschikte niet-lineaire eigenschappen. Hiermee worden de hechting van de wapening aan het beton en ook het verankeringsmodel van de voorgerekte wapening correct gemodelleerd. De uiteindelijke voorzieningen van de nagerekte wapening, bijvoorbeeld de ankerplaat, worden gemodelleerd door een element met een stijfheid die overeenkomt met het anker aan het uiteinde van de voorspanwapening. De voorspankracht aan het uiteinde wordt als vlaklast op het betonmodel aangebracht over een oppervlak ter grootte van de ankerplaat. Het model kan de lokale drieassige spanningstoestand in het gebied onder het anker niet correct beschrijven. Dit gebied moet afzonderlijk worden beschouwd.
De tension stiffening van de wapening als gevolg van interactie met het beton wordt bij voorspanwapening niet in rekening gebracht, omdat wordt aangenomen dat het beton in de nabijheid van de voorspanwapening op druk wordt belast.
Voorgerekte wapening
De voorgerekte wapening wordt voorgespannen vóór het storten van het element. De voorspanwapening wordt bijna altijd recht aangebracht, waardoor er geen wrijvingsverliezen optreden. Zodra de vereiste betonsterkte is bereikt, wordt de wapening losgelaten van de ankerblokken. Daardoor wordt de voorspanwapening geactiveerd en worden de krachten van de wapening op het beton overgedragen. Dit effect is fysisch equivalent aan onderkoeling van de wapening en wordt gemodelleerd met een initiële rek, vergelijkbaar met een thermische belasting. Dit levert een spanning-rekdiagram van de voorspanwapening op zoals getoond in de bovenstaande figuur onder b). Het rekenmodel berekent automatisch de vervormingsrespons van de constructie op de aangebrachte voorspanning en bepaalt daarmee direct de voorspanverliezen door elastische rek van het element.
Omdat de voorspankracht bekend is, en daarmee ook de voorspanning σpmo, wordt het materiaaldiagram van de wapening gebruikt voor de afhankelijkheid van de spanning van de vervorming. Dit kan worden geschreven als:
Uitgaande van een voorspanning in de wapening die lager is dan de vloeigrens (d.w.z. de voorwaarden gedefinieerd in EN 1992-1-1, hoofdstuk 5.10.3 zijn vervuld), kan de initiële vervorming ook worden berekend als:
ε0 - initiële rek door voorspanning
σpm0 - spanning vlak vóór het loslaten
Ep - elasticiteitsmodulus van de voorspanwapening
Voorgerekte wapening is specifiek doordat de verankering van de uiteinden via meerdere mechanismen verloopt: adhesie van wapening en beton op moleculair niveau, de wrijving die ontstaat op het contactvlak tussen het oppervlak van de wapening en het beton, het mechanisch indrukken van de spiraalwapening in het beton en een toename van de diameter van de voorspanwapening, bekend als het wigmechanisme of het Hoyer-effect. De genoemde effecten worden in het CSFM-rekenmodel meegenomen door de eigenschappen van het verankeringsmodel in het uiteindegebied van de voorgerekte wapening aan te passen.
Interactie van voorgerekte wapening en beton: a) spiraalwapening die in het beton wordt gedrukt; b) Hoyer-effect

Nagerekte wapening
De nagerekte wapening wordt voorgespannen nadat de constructie is gestort. Het voorspanapparaat steunt rechtstreeks op de constructie, waardoor de verliezen door elastische rek van de constructie als gevolg van de voorspanning worden uitgesloten. Zodra de gewenste voorspankracht is bereikt, wordt de wapening verankerd en worden vervolgens de kabelkanalen geïnjecteerd, waardoor aanhechting van de wapening aan de constructie ontstaat. Bij het modelleren van nagerekte wapening wordt de berekening daarom opgedeeld in meerdere belastingstappen: voorspanning, aanbrengen van overige permanente belastingen en aanbrengen van veranderlijke belastingen.
Eindige-elementenmesh van het beton met gekoppelde 1D-voorspanwapeningselementen:

Belastingstap "voorspanning"
Bij het voorspannen van de wapening wordt de stijfheid van de wapening niet opgenomen in de stijfheid van de constructie. In deze belastingstap wordt de stijfheid van het lineaire element niet in het model meegenomen. De wapeningselementen worden vervangen door een vervangende belasting die overeenkomt met de voorspanning en het wapeningsoppervlak, zoals getoond in de bovenstaande figuur. Nadat de volledige belasting uit de voorspanning is bereikt en deze belastingstap is geconvergeerd, wordt de vervorming van het specifieke lineaire element afgelezen. Op basis van de vervorming wordt de initiële rek ε0 van de afzonderlijke lineaire elementen van de voorspanwapening bepaald.
De voorspanning kan handmatig langs de lengte van de wapening worden gedefinieerd of automatisch worden berekend op basis van de geometrie van de wapening. Als de automatische berekening van verliezen is gekozen, worden wrijvingsverlies (volgens EN 1992-1-1, 5.10.5.2, of ACI 318-19, 20.3.2) en slip van de wapening (indrukken van ankerwiggen) tijdens het verankeren in rekening gebracht. Omdat alle voorspanwapening in één stap wordt aangebracht, wordt verlies door opeenvolgend voorspannen niet beschouwd.
Volgende belastingstappen met geactiveerde voorspanwapening
In de volgende belastingstappen (aanbrengen van overige permanente en veranderlijke belastingen) wordt dezelfde procedure gevolgd als bij voorgerekte wapening. De volledige stijfheid van de voorspanwapening wordt in rekening gebracht, de aanhechting tussen de wapening en het omringende beton wordt meegenomen en het spanning-rekdiagram van de voorspanwapening wordt aangepast met de initiële rek ε0. Deze rek is voor elk element verschillend en is verkregen uit de voorgaande belastingstap "voorspanning". Door de aanhechting van de wapening aan het beton wordt de verandering van de voorspanning door de elastische vervorming van de constructie onder de uitwendige belasting correct in het model meegenomen.
Referenties
AASHTO. 2014. AASHTO LRFD Bridge Design Specifications. 7th ed. Washington, DC: American Association of State Highway and Transportation Officials.
AASHTO. 2024. AASHTO LRFD Bridge Design Specifications. 10th ed. Washington, DC: American Association of State Highway and Transportation Officials.
ACI Committee 318. 2019. Building Code Requirements for Structural Concrete (ACI 318-19) and Commentary. Farmington Hills, MI: American Concrete Institute.
Alvarez, Manuel. 1998. Einfluss des Verbundverhaltens auf das Verformungsvermögen von Stahlbeton. IBK Bericht 236. Basel: Institut für Baustatik und Konstruktion, ETH Zurich, Birkhäuser Verlag.
Beeby, A. W. 1979. “The Prediction of Crack Widths in Hardened Concrete.” The Structural Engineer 57A (1): 9–17.
Broms, Bengt B. 1965. “Crack Width and Crack Spacing In Reinforced Concrete Members.” ACI Journal Proceedings 62 (10): 1237–56. https://doi.org/10.14359/7742.
Burns, C.. 2012. “Serviceability Analysis of Reinforced Concrete Members Based on the Tension Chord Model.” IBK Report Nr. 342, Zurich, Switzerland: ETH Zurich.
Crisfield, M. A. 1997. Non-Linear Finite Element Analysis of Solids and Structures. Wiley.
CSA Group. 2014. Canadian Highway Bridge Design Code (CSA S6-14). Toronto, ON: CSA Group.
CSA Group. 2024. Design of Concrete Structures (CSA A23.3:24). Toronto, ON: CSA Group.
European Committee for Standardization (CEN). 2015. 1 Eurocode 2: Design of concrete structures - Part 1-1: General rules and rules for buildings. Brussels: CEN, 2005.
Fernández Ruiz, M., and A. Muttoni. 2007. “On Development of Suitable Stress Fields for Structural Concrete.” ACI Structural Journal 104 (4): 495–502.
Kaufmann, W., J. Mata-Falcón, M. Weber, T. Galkovski, D. Thong Tran, J. Kabelac, M. Konecny, J. Navratil, M. Cihal, and P. Komarkova. 2020. “Compatible Stress Field Design Of Structural Concrete. Berlin, Germany.”AZ Druck und Datentechnik GmbH, ISBN 978-3-906916-95-8.
Kaufmann, W., and P. Marti. 1998. “Structural Concrete: Cracked Membrane Model.” Journal of Structural Engineering 124 (12): 1467–75. https://doi.org/10.1061/(ASCE)0733-9445(1998)124:12(1467).
Kaufmann, W.. 1998. “Strength and Deformations of Structural Concrete Subjected to In-Plane Shear and Normal Forces.” Doctoral dissertation, Basel: Institut für Baustatik und Konstruktion, ETH Zürich. https://doi.org/10.1007/978-3-0348-7612-4.
Konečný, M., J. Kabeláč, and J. Navrátil. 2017. Use of Topology Optimization in Concrete Reinforcement Design. 24. Czech Concrete Days (2017). ČBS ČSSI. https://resources.ideastatica.com/Content/06_Detail/Verification/Articles/Topology_optimization_US.pdf.
Marti, P. 1985. “Truss Models in Detailing.” Concrete International 7 (12): 66–73.
Marti, P. 2013. Theory of Structures: Fundamentals, Framed Structures, Plates and Shells. First edition. Berlin, Germany: Wiley Ernst & Sohn.
http://sfx.ethz.ch/sfx_locater?sid=ALEPH:EBI01&genre=book&isbn=9783433029916.
Marti, P., M.Alvarez, W. Kaufmann, and V. Sigrist. 1998. “Tension Chord Model for Structural Concrete.” Structural Engineering International 8 (4): 287–298.
https://doi.org/10.2749/101686698780488875.
Mata-Falcón, J. 2015. “Serviceability and Ultimate Behaviour of Dapped-End Beams (In Spanish: Estudio Del Comportamiento En Servicio y Rotura de Los Apoyos a Media Madera).” PhD thesis, Valencia: Universitat Politècnica de València.
Meier, H. 1983. “Berücksichtigung Des Wirklichkeitsnahen Werkstoffverhaltens Beim Standsicherheitsnachweis Turmartiger Stahlbetonbauwerke.” Institut für Massivbau, Universität Stuttgart.
Navrátil, J., P. Ševčík, L. Michalčík, P. Foltyn, and J. Kabeláč. 2017. A Solution for Walls and Details of Concrete Structures. 24. Czech Concrete Days.
Schlaich, J., K. Schäfer, and M. Jennewein. 1987a. “Toward a Consistent Design of Structural Concrete.” PCI Journal 32 (3): 74–150.
Standards Australia. 2018. Concrete Structures (AS 3600:2018). Sydney, NSW: Standards Australia.
Standards Australia. 2022. Concrete Structures – Commentary (Supplement 1 to AS 3600:2018). Sydney, NSW: Standards Australia.
Vecchio, F.J., and M.P. Collins. 1986. “The Modified Compression Field Theory for Reinforced Concrete Elements Subjected to Shear.” ACI Journal 83 (2): 219–31.




