Check of steel connection components (AS)
Bolts, preloaded bolts, and welds are checked according to AS 4100–2020, Chapter 9. The concrete bearing surface according to AS3600:2018 – Chapter 12.6. The check of anchors is provided according to AS 5216:2018. The design of shear lug and transfer of shear at the column base by friction is according to a publication: Gianluca Ranzi, Peter Kneen: Design of Pinned Column Base Plates, Journal of the Australian Steel Institute, vol. 36, no. 2, September 2002.
Normtoetsing van staalplaten volgens Australische normen
De rekcontrole wordt uitgevoerd op schaalvormige eindige elementen die platen simuleren. De vloeigrens wordt verminderd met de capaciteitsfactor.
De resulterende equivalente spanning (HMH, von Mises) en plastische rek worden berekend op de platen. Wanneer de vloeigrens (vermenigvuldigd met de capaciteitsfactor ϕ = 0,9, die bewerkbaar is in de Code-instelling) op het bilineaire materiaaldiagram wordt bereikt, wordt de controle van de equivalente plastische rek uitgevoerd. De grenswaarde van 5% wordt aanbevolen in Eurocode (EN1993-1-5 App. C, Par. C8, Noot 1). Deze waarde kan worden aangepast in de Code-instelling, maar verificatiestudies zijn uitgevoerd voor deze aanbevolen waarde.
Het plaatelement is verdeeld in vijf lagen, en het elastisch/plastisch gedrag wordt in elk van deze lagen onderzocht. Het programma toont het maatgevende resultaat van alle lagen.
De CBFEM-methode kan een spanning opleveren die iets hoger is dan de vloeigrens. De reden hiervoor is de lichte helling van de plastische tak van het spanning-rek diagram, die in de berekening wordt gebruikt om de stabiliteit van de interactieberekening te verbeteren. Dit vormt geen probleem voor het praktische ontwerp. De equivalente plastische rek wordt overschreden bij een hogere spanning, en de verbinding voldoet in dat geval sowieso niet.
Normtoetsing van bouten en voorspanbouten volgens Australische normen
De krachten in bouten inclusief wrikkrachten worden bepaald door middel van eindige elementenanalyse. De boutweerstanden worden getoetst aan de normeisen.
Bouten
Bouten worden getoetst volgens Hoofdstuk 9.2 Ontwerp van bouten. De trek- en afschuifkracht in elke bout wordt bepaald door middel van eindige elementenanalyse. Wrikkrachten worden in rekening gebracht zoals voorgesteld in Clausule 9.1.8. Wrikkrachten worden bepaald door middel van eindige elementenanalyse. Elk afschuifvlak wordt afzonderlijk getoetst. De spijker in de drukzone wordt getoetst aan de som van de afschuifkrachten in nabijgelegen vlakken.
Bout op afschuiving
Een bout onderworpen aan een rekenwaarde van de afschuifkracht wordt ontworpen volgens Cl. 9.2.2.1 en dient te voldoen aan:
\[ V_f^* \le \phi V_f \]
waarbij:
- Vf* – rekenwaarde van de afschuifkracht
- ϕ = 0.8 – capaciteitsfactor (Tabel 3.4) aanpasbaar in de norminstellingen
- Vf = 0.62 fuf A – nominale afschuifcapaciteit van een bout
- fuf – minimale treksterkte van de bout zoals gespecificeerd in Tabel 9.2.1
- A – oppervlak van een bout gelijk aan Ac of Ao, zijnde respectievelijk het kernoppervlak van de bout zoals gedefinieerd in AS 1275 of het nominale oppervlak van de ongeschroefdeschacht van de bout. Elk afschuifvlak wordt afzonderlijk getoetst.
De waarde van Ac wordt in de software benaderd door een functie:
Ac = 0.0000163 · As2 + 0.91682 · As − 0.85375
Het maximale verschil bedraagt 0.8 mm2 of 0.5 %.
De reductiefactor uit Tabel 9.2.2.1 voor de lengte van een boutverbinding met overlapping is gelijk aan 1.0. De reductie wordt automatisch toegepast door elke bout afzonderlijk te toetsen.
Volgens Cl. 9.2.2.5 dient de nominale afschuifcapaciteit van een bout te worden gereduceerd met 15 % voor verbindingen waarbij vulplaten een dikte van meer dan 6 mm hebben. Bij verbindingen met meerdere afschuifvlakken wordt de reductie toegepast op alle afschuifvlakken.
Bout op trek
Een bout onderworpen aan een rekenwaarde van de trekkracht wordt ontworpen volgens Cl. 9.2.2.2 en dient te voldoen aan:
\[ N_{tf}^* \le \phi N_{tf} \]
waarbij:
- Ntf* – rekenwaarde van de trekkracht
- ϕ = 0.8 – capaciteitsfactor (Tabel 3.4) aanpasbaar in de norminstellingen
- Ntf = As fuf – nominale trekcapaciteit van een bout
- As – trekspanningsoppervlak van een bout zoals gespecificeerd in AS 1275
- fuf – minimale treksterkte van de bout zoals gespecificeerd in Tabel 9.2.1
Bout onderworpen aan gecombineerde afschuiving en trek
Een bout die tegelijkertijd zowel rekenwaarden van afschuif- als trekkrachten moet weerstaan, wordt ontworpen volgens Cl. 9.2.2.3 en dient te voldoen aan:
\[ \left ( \frac{V_f^*}{\phi V_f} \right ) ^2 + \left ( \frac{N_{tf}^*}{\phi N_{tf}} \right ) ^2 \le 1.0 \]
waarbij:
- ϕ = 0.8 – capaciteitsfactor (Tabel 3.4) aanpasbaar in de norminstellingen
Plaat op druk
Een plaat onderworpen aan een rekenwaarde van de drukkracht ten gevolge van een bout op afschuiving wordt ontworpen volgens Cl. 9.2.2.4 en dient te voldoen aan:
\[ V_b^* \le ϕ V_b \]
waarbij:
- ϕ = 0.9 – capaciteitsfactor (Tabel 3.4) aanpasbaar in de norminstellingen
- \( V_b = 3.2 d_f t_p f_{up} \le a_e t_p f_{up} \) – nominale drukweerstand van een plaat
- df – diameter van een bout
- tp – dikte van de plaat
- fup – treksterkte van de plaat
- ae – minimale afstand van de rand van een gat tot de rand van een plaat, gemeten in de richting van de krachtcomponent, vermeerderd met de halve boutdiameter. De rand van een plaat wordt geacht de rand van een aangrenzend boutgat te omvatten
Wrijvingsverbindingen
Voor wrijvingsverbindingen dient de glijding in de bruikbaarheidsgrenstoestand te worden beperkt en ontworpen volgens Cl. 9.2.3. Deze bouten dienen ook te worden getoetst als drukverbinding voor de uiterste grenstoestand. Een bout onderworpen aan een afschuifkracht dient te voldoen aan:
\[ V_{sf}^* \le ϕ V_{sf} \]
waarbij:
- ϕ = 0.7 – capaciteitsfactor (Hoofdstuk 3.5.5) aanpasbaar in de norminstellingen
- Vsf = μ Nti kh – nominale afschuifcapaciteit van een bout
- μ = 0.35 – glijdingsfactor zoals gespecificeerd in Clausule 9.2.3.2, aanpasbaar in de norminstellingen
- Nti – minimale boutvoorspanning bij montage zoals gespecificeerd in Clausule 15.2.2.2
| Nominale diameter van de bout | Minimale boutvoorspanning [kN] |
| M16 | 95 |
| M20 | 145 |
| M24 | 210 |
| M30 | 335 |
| M36 | 490 |
| Overig | \(A_s \cdot 600\) MPa |
- k h – factor voor verschillende gattypen, zoals gespecificeerd in Clausules 9.2.3.1 en 14.3.2
- k h = 1 voor standaard gaten (+2 mm voor d f ≤ 24 mm, +3 mm anders)
- k h = 0.85 voor korte sleutelgaten (gatlengte ≤ max(1.33 d f, d f + 10 mm)) en oversized gaten
- k h = 0.70 voor lange sleutelgaten
Het aantal effectieve contactvlakken, nei, is altijd gelijk aan 1, omdat elk contactvlak afzonderlijk wordt getoetst.
Bouten in wrijvingsverbindingen belast door gecombineerde afschuiving en trek dienen te voldoen aan:
\[ \left ( \frac{V_{sf}^*}{ϕ V_{sf}} \right ) + \left ( \frac{N_{tf}^*}{ϕ N_{tf}} \right ) \le 1.0 \]
waarbij:
- Vsf* – rekenwaarde van de afschuifkracht op de bout in het vlak van de contactvlakken
- Ntf* – rekenwaarde van de trekkracht op de bout
- ϕ = 0.7 – capaciteitsfactor (Hoofdstuk 3.5.5) aanpasbaar in de norminstellingen
- Vsf – nominale afschuifcapaciteit van de bout
- Ntf = Nti – nominale trekcapaciteit van de bout gelijk aan de minimale boutvoorspanning bij montage
Wrijvingsverbindingen dienen ook te worden getoetst voor de uiterste grenstoestand. Het bouttype dient te worden gewijzigd naar drukverbinding – trek/afschuiving interactie, de belastingen dienen dienovereenkomstig te worden verhoogd en de verbinding dient opnieuw te worden getoetst.
Normtoetsing van lassen volgens Australische normen
Hoeklassen worden gecontroleerd volgens AS 4100 - Hoofdstuk 9.6. De sterkte van CJP groeflas wordt verondersteld gelijk te zijn aan het basismateriaal en wordt niet gecontroleerd.
Het is mogelijk om stompe lassen of hoeklassen in te stellen, over de volledige randlengte, gedeeltelijke lassen of onderbroken lassen. Stompe lassen worden verondersteld dezelfde sterkte te hebben als het gelaste staaf en worden niet gecontroleerd. In het geval van hoeklassen wordt het laselement ingevoegd tussen interpolatieverbindingen die platen met elkaar verbinden. Het laselement heeft een gespecificeerd elasto-plastisch materiaaldiagram om de spanning over de laslengte te herverdelen, zodat lange lassen, lassen in meerdere richtingen of lassen aan een niet-verstijfde flens een vergelijkbare weerstand hebben als bij handberekening. Het meest belaste laselement is bepalend bij de lascontrole.
Een hoeklas onderworpen aan een rekenwaarde van de kracht per lengte-eenheid van de las, vw*, wordt ontworpen volgens Cl. 9.6.3.10 en dient te voldoen aan:
\[ v_w^* \le ϕ v_w \]
waarbij:
- ϕ = 0.8 – capaciteitsfactor (Hoofdstuk 3.4) aanpasbaar in de norminstellingen
- vw = 0.6 fuw tt – nominale capaciteit van een hoeklas per lengte-eenheid
- fuw – nominale treksterkte van het lasmetaal (Tabel 9.6.3.10 (A))
- tt – rekenwaarde van de keeldikte
De reductiefactor kr wordt gelijk aan 1 aangenomen (las korter dan 1,7 m).
De lasdiagrammen tonen de spanning volgens de volgende formule:
\[ \sigma = \sqrt{ \sigma_{\perp}^2 + \tau_{\perp}^2 + \tau_{\parallel}^2 } \]
Normtoetsing van betonblok volgens Australische normen
Beton onder de voetplaat wordt gesimuleerd door Winkler-ondergrond met uniforme stijfheid, die de contactspanningen levert. De gemiddelde spanning in het belaste gebied in contact met de voetplaat wordt gebruikt voor de druktoets.
Betondrukoppervlak
Het betondrukoppervlak wordt getoetst volgens AS3600: 2018 – Cl. 12.6. De rekenwaarde van de drukspanning op een betonoppervlak mag niet groter zijn dan:
\[ ϕ f_b = ϕ 0.9 f'_c \sqrt{\frac{A_2}{A_1}} \le ϕ 1.8 f'_c \]
waarbij:
- ϕ = 0,6 – capaciteitsfactor (Tabel 2.2) aanpasbaar in de norminstellingen
- f'c – karakteristieke druksterkte van beton op cilinders na 28 dagen
- A1 – drukoppervlak
- A2 – grootste oppervlak van het ondersteunende vlak dat geometrisch gelijkvormig en concentrisch is met A1. De zijhellingen van de frustum zijn 1 in de lengterichting en 2 in de dwarsrichting ten opzichte van de belastingrichting.
De rekenwaarde van de drukspanning, σ, is gelijk aan de gemiddelde spanning onder de voetplaat op het oppervlak onder de voetplaat dat in contact staat met het beton.
Overdracht van afschuiving
De afschuivingskracht op de voetplaat wordt verondersteld te worden overgedragen van de kolom naar de betonnen fundering door:
- Wrijving tussen voetplaat en beton / grout
- Afschuif deuvel
- Ankerbouten
Afschuifkrachtoverdracht door wrijving
De afschuifcapaciteit wordt berekend volgens Gianluca Ranzi, Peter Kneen: Design of Pinned Column Base Plates, Journal of the Australian Steel Institute, vol. 36, nr. 2, september 2002 – Hoofdstuk 6.5.3 als volgt:
\[ ϕ V_f = ϕ μ N_c^* \]
waarbij:
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor
- μ = 0,55 – wrijvingscoëfficiënt aanpasbaar in de norminstellingen
- Nc* – rekenwaarde van de normaalkracht (druk) in de kolom
Afschuifkrachtoverdracht door afschuif deuvel
Als de afschuifkracht wordt overgedragen door de afschuif deuvel, wordt de afschuif deuvel gemodelleerd met eindige elementen en worden de platen en lassen getoetst met de Eindige Elementen Methode en lascomponenten. Aanvullende toetsen zijn vereist – druksterkte van het beton; betonrandsterkte.
Druksterkte van het beton
De druksterkte van het beton wordt getoetst volgens Gianluca Ranzi, Peter Kneen: Design of Pinned Column Base Plates, Journal of the Australian Steel Institute, vol. 36, nr. 2, september 2002 – Hoofdstuk 6.5.5:
\[ ϕ_c V_b = 0.85 ϕ_c f'_c A_{sl} \]
waarbij:
- ϕc = 0,6 – capaciteitsfactor voor beton op druk aanpasbaar in de norminstellingen
- f'c – karakteristieke druksterkte van beton op cilinders na 28 dagen
- Asl – geprojecteerd oppervlak van de ingestorte afschuif deuvel in de richting van de kracht, exclusief het deel van de deuvel dat in contact staat met de grout boven het betonnen staaf
Betonrandsterkte
Als een afschuifkracht werkt op een vrije betonrand, moet worden geverifieerd dat het beton de aangebrachte afschuifkracht kan opnemen. De betonrandsterkte wordt getoetst volgens Gianluca Ranzi, Peter Kneen: Design of Pinned Column Base Plates, Journal of the Australian Steel Institute, vol. 36, nr. 2, september 2002 – Hoofdstuk 6.5.5:
\[ ϕ V_{ce} = ϕ 0.33 \sqrt{f'_c} A_{Vc} \]
waarbij:
- ϕ =0,85 – capaciteitsfactor
- f'c – karakteristieke druksterkte van beton op cilinders na 28 dagen
- AVc – effectief spanningsoppervlak bepaald door een 45°-vlak te projecteren vanuit de drukranden van de afschuif deuvel naar het vrije oppervlak in de richting van de afschuifbelasting. Het drukoppervlak van de afschuif deuvel is uitgesloten van het geprojecteerde oppervlak
Afschuifkrachtoverdracht door ankers
De afschuifkracht wordt verondersteld te worden overgedragen door ankers. De kracht in elk anker wordt bepaald met de Eindige Elementen Methode. Elk anker of ankergroep wordt getoetst op bezwijken van het staal bij afschuiving, bezwijken van de betonrand, betonuitbraak door wrikkracht, en gecombineerde trek- en afschuifbelasting indien ook trek aanwezig is.
Normtoetsing van ankers volgens Australische normen
De krachten in ankers inclusief wrikkrachten worden bepaald door middel van eindige elementenanalyse, maar de weerstanden worden gecontroleerd aan de hand van de normbepaling van AS 5216.
De normtoetsing van ankers wordt uitgevoerd conform AS 5216:2018. Hoewel de norm niet specifiek formules geeft voor ingestorte ankers, zijn de formules gelijk aan die in SA TS 101:2015, waar ingestorte ankers expliciet worden vermeld. Gebarsten of ongebarsten beton kan worden geselecteerd in de norminstellingen. Gebarsten beton wordt conservatief als standaard aangenomen. De betonkegel-uitbreekcontrole bij trek en afschuiving kan worden uitgeschakeld in de norminstellingen, wat betekent dat de kracht wordt verondersteld via wapening te worden overgedragen. De gebruiker krijgt de grootte van deze kracht te zien. Vanwege het gebruik van de betonkegel-uitbreekweerstand in de formule voor de betonuitstulpingsfaalcontrole, wordt ook deze controle uitgeschakeld.
De volgende controles van op trek belaste ankers worden niet uitgevoerd en dienen te worden gecontroleerd aan de hand van informatie in de relevante Technische Productspecificatie (beproeving conform AS 5216:2018: Bijlage A):
- Uittrekfalen van het bevestigingsmiddel (voor achteraf aangebrachte mechanische ankers) – AS 5216:2018: 6.2.4,
- Gecombineerd uittrek- en betonkegelfalen (voor achteraf aangebrachte gelijmde ankers) – AS 5216:2018: 6.2.5,
- Betonsplitsingsfalen – AS 5216:2018: 6.2.6.
Betonuitstulpingsfalen wordt alleen gecontroleerd voor ankers met ankerplaten.
Bezwijken van het staal bij trek
Bezwijken van het staal bij trek wordt gecontroleerd conform Cl. 6.2.2:
\[ ϕ_{Ms} N_{tf} = ϕ_{Ms} A_s f_{uf} \]
waarbij:
- \( ϕ_{Ms} = \frac{5 f_{yf}}{6 f_{uf}} \le 1/1.4 \) – capaciteitsfactor voor bezwijken van het staal bij trek (Tabel 3.2.4)
- As – trekspanningsoppervlak van een bout zoals gespecificeerd in AS 1275
- fuf – minimale treksterkte van de bout zoals gespecificeerd in AS 4100 – Tabel 9.3.1
Betonkegelfalen
Betonkegelfalen wordt gecontroleerd conform Cl. 6.2.3 en wordt bepaald voor de groep ankers (waar van toepassing). De karakteristieke sterkte van de op trek belaste bevestigingsmiddelen in een groep of een enkel bevestigingsmiddel is:
\[ ϕ_{Mc} N_{Rk,c} = ϕ_{Mc} N_{Rk,c}^0 \left ( \frac{A_{c,N}}{A^0_{c,N}} \right ) \psi_{s,N} \psi_{re,N} \psi_{ec,N} \psi_{M,N} \]
waarbij:
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
- \( N_{Rk,c}^0 = k_1 \sqrt{f'_c} h_{ef}^{1.5} \) – karakteristieke sterkte van een bevestigingsmiddel, ver van de invloed van naburige bevestigingsmiddelen of randen van het constructief betonelement – Cl. 6.2.3.2
- Ac,N – werkelijk geprojecteerd oppervlak van de faalconus van het bevestigingsmiddel, begrensd door naburige bevestigingsmiddelen en randen van het constructief betonelement – Cl. 6.2.3.3
- Ac,N0 = scr,N2 – referentie geprojecteerd oppervlak van een enkel bevestigingsmiddel met een randafstand van ten minste 1,5 hef – Cl. 6.2.3.3
- \( \psi_{s,N} = 0.7 + 0.3 \frac{c}{c_{cr,N}} \le 1 \) – parameter gerelateerd aan de spanningsverdeling in het beton als gevolg van de nabijheid van het bevestigingsmiddel tot een rand van het constructief betonelement – Cl. 6.2.3.4
- \( \psi_{re,N} = 0.5 + \frac{h_{ef}}{200} \le 1 \)– parameter die rekening houdt met het schilspalteringseffect – Cl. 6.2.3.5
- \( \psi_{ec,N} = \frac{1}{1+2 e_N / s_{cr,N}} \le 1 \) – parameter die rekening houdt met de excentriciteit van de resulterende belasting in een groep bevestigingsmiddelen – Cl. 6.2.3.6
- \( \psi_{M,N} = 2- \frac{2 z}{3 h_{ef}} \ge 1 \) – parameter die rekening houdt met het effect van een druk kracht tussen de bevestigingsplaat en het beton – Cl. 6.2.3.7; deze parameter is gelijk aan 1 als c < 1,5 hef of de verhouding van de druk kracht (inclusief de druk ten gevolge van buiging) tot de som van de trekkrachten in de ankers kleiner is dan 0,8
- \item k1 – parameter; voor ingestorte ankers (Ankertype – ankerplaten) k1 = kcr,N = 8,9 voor gebarsten beton en k1 = kucr,N = 12,7 voor ongebarsten beton; voor achteraf aangebrachte ankers (Ankertype – recht) k1 = kcr,N = 7,7 voor gebarsten beton en k1 = kucr,N = 11,0 voor ongebarsten beton
- scr,N = 2 ccr,N = 3 hef – hartafstand van bevestigingsmiddelen
- ccr,N = 1,5 hef – karakteristieke randafstand
- hef – effectieve inbeddiepte van het bevestigingsmiddel; in geval van een smal constructief betonelement is Cl. 6.2.3.8 van toepassing en geldt \( h'_{ef} = \max \left ( \frac{c_{max}}{c_{cr,N}}h_{ef}; \, \frac{s_{max}}{s_{cr,N}}h_{ef} \right ) \)
- z – inwendige momentarm
- c – kleinste randafstand
Het betonuitbreekkegeloppervlak voor een groep ankers belast door trek die een gemeenschappelijke betonkegel vormen, Ac,N, wordt weergegeven door een rode stippellijn.
Conform Cl. 6.2.8 mag aanvullende wapening worden gebruikt om krachten die betonkegelfalen veroorzaken over te dragen. Dergelijke wapening dient te worden ontworpen conform AS 3600.
Uittrekfalen
Uittrekfalen wordt gecontroleerd voor ingestorte bevestigingsmiddelen met kop (Ankertype – ankerplaat) conform SA TS 101:2015 – Cl. 6.2.3:
\[ ϕ_{Mc} N_{Rk,p} = k_1 A_h f'_c \]
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
- k1 – parameter gerelateerd aan de toestand van het beton; voor gebarsten beton k1 = 8,0, voor ongebarsten beton k1 = 11,2
- Ah – oppervlak van de dragende kop van het bevestigingsmiddel; voor een ronde ankerplaat \( A_h = \frac{\pi}{4} \left ( d_h^2 - d^2 \right \)$, voor een rechthoekige ankerplaat \( A_h = a_{wp}^2 - \frac{\pi}{4} d^2 \)
- dh ≤ 6 th + d – diameter van de kop van het bevestigingsmiddel
- th – dikte van de kop van het bevestigingsmiddel met kop
- d – diameter van de schacht van het bevestigingsmiddel
- awp – zijdelengte van de rechthoekige ankerplaat
- f'c – karakteristieke druksterkte van beton
Het uittrekfalen voor andere dan ingestorte ankers met kop wordt niet berekend en de weerstand dient te worden gegarandeerd door een fabrikant of te worden bepaald door beproeving en beoordeling conform Bijlage A.
Noch de weerstand tegen splitsingsfalen tijdens installatie (Cl. 6.2.6.1) noch die ten gevolge van belasting (Cl. 6.2.6.2) wordt bepaald en dient te worden gegarandeerd door een fabrikant of te worden bepaald door beproeving en beoordeling conform Bijlage A.
Uitstulpingsfalen
Uitstulpingsfalen wordt gecontroleerd voor ankers met kop (Ankertype – ankerplaat) met randafstand c ≤ 0,5 hef conform Cl. 6.2.7. Ankers worden als een groep beschouwd als hun hartafstand nabij de rand s ≤ 4 c1 is. Ondersnedenankers kunnen op dezelfde wijze worden gecontroleerd, maar de waarde van Ah is onbekend in de software. Het uitstulpingsfalen van ondersnedenankers kan worden bepaald door een ankerplaat met de overeenkomstige afmeting te selecteren.
\[ ϕ_{Mc} N_{Rk,cb} = ϕ_{Mc} N_{Rk,cb}^0 \frac{A_{c,Nb}}{A_{c,Nb}^0} \psi_{s,Nb} \psi_{g,Nb} \psi_{ec,Nb} \]
waarbij:
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
- \( N_{Rk,cb}^0 = k_5 c_1 \sqrt{A_h} \sqrt{f'_c} \) – karakteristieke sterkte van een enkel bevestigingsmiddel ver van de invloed van naburige bevestigingsmiddelen en randen van het constructief betonelement – Cl. 6.2.7.2
- Ac,Nb – werkelijk geprojecteerd oppervlak voor het bevestigingsmiddel, begrensd door de randen van het constructief betonelement (c2 ≤ 2 c1), de aanwezigheid van naburige bevestigingsmiddelen (s ≤ 4 c1) of de elementdikte – Cl. 6.2.7.3
- Ac,Nb0 = (4 c1)2 – referentie geprojecteerd oppervlak van een enkel bevestigingsmiddel met een randafstand gelijk aan c1 – Cl. 6.2.7.3
- \( \psi_{s,Nb} = 0.7+0.3 \frac{c_2}{2 c_1} \le 1 \) – parameter die rekening houdt met de verstoring van spanningen in het beton door de nabijheid van het bevestigingsmiddel tot een hoek van het constructief betonelement – Cl. 6.2.7.4
- \( \psi_{g,Nb} = \sqrt{n} + (1-\sqrt{n}) \frac{s_2}{4c_1} \ge 1 \) – parameter die rekening houdt met een groepseffect – Cl. 6.2.7.5
- \( \psi_{ec,Nb} = \frac{1}{1+2 e_N / s_{cr,Nb}} \le 1 \) – parameter die rekening houdt met de excentriciteit van de belasting op een groep bevestigingsmiddelen – Cl. 6.2.7.6
- k5 – parameter gerelateerd aan de toestand van het beton; voor gebarsten beton k5 = 8,7, voor ongebarsten beton k5 = 12,2
- c1 – randafstand van het bevestigingsmiddel in richting 1 naar de dichtstbijzijnde rand
- c2 – randafstand van het bevestigingsmiddel loodrecht op richting 1, zijnde de kleinste randafstand in een smal element met meerdere randafstanden
- Ah – oppervlak van de dragende kop van het bevestigingsmiddel; voor een ronde ankerplaat \( A_h = \frac{\pi}{4} \left ( d_h^2 - d^2 \right \), voor een rechthoekige ankerplaat \( A_h = a_{wp}^2 - \frac{\pi}{4} d^2 \)
- f'c – karakteristieke druksterkte van beton
- n – aantal bevestigingsmiddelen in een rij evenwijdig aan de rand van het constructief betonelement
- s2 – hartafstand van bevestigingsmiddelen in een groep loodrecht op richting 1
- scr,Nb = 4 c1 – hartafstand die vereist is opdat een bevestigingsmiddel zijn karakteristieke treksterkte tegen uitstulpingsfalen kan ontwikkelen
Bezwijken van het staal bij afschuiving
Bezwijken van het staal bij afschuiving wordt bepaald conform Cl. 7.2.2. Er wordt aangenomen dat het anker is vervaardigd van een draadeind met dezelfde materiaaleigenschappen als bouten.
Afschuifkracht zonder hefboomwerking
Afschuifkracht zonder hefboomwerking wordt aangenomen als stand-off – direct is geselecteerd. Er wordt aangenomen dat de bevestigingsmiddelen zijn vervaardigd van ductiel staal en dat factor k7 = 1. Elk bevestigingsmiddel wordt afzonderlijk gecontroleerd. De weerstand wordt bepaald conform AS 5216 – Cl. 7.2.2.2 en AS 4100 – Cl. 9.2.2.1:
\[ ϕ_{Ms} V_{Rk,s} = ϕ_{Ms} 0.62 f_{uf} A \]
waarbij:
- \( ϕ_{Ms} = f_{yf} / f_{uf} \le 0.8 \) wanneer fuf ≤ 800 MPa en fyf / fuf ≤ 0,8; ϕMs = 2/3 anders – capaciteitsfactor voor bezwijken van het staal bij afschuiving (Tabel 3.2.4)
- fuf – minimale treksterkte van de bout zoals gespecificeerd in AS 4100 Tabel 9.2.1
- A – oppervlak van een bout gelijk aan Ac of Ao, zijnde respectievelijk het kernoppervlak van de bout zoals gedefinieerd in AS 1275 of het nominale oppervlak van de ongedraaide schacht van de bout
Voor bevestigingsmiddelen met hef / d < 5 in beton met f'c < 20 MPa wordt VRk,s vermenigvuldigd met een factor gelijk aan 0,8.
Afschuifkracht met hefboomwerking
De afschuifsterkte van staal met hefboomwerking wordt berekend conform Cl. 7.2.2.3:
\[ ϕ_{Ms} V_{Rk,s,M} = ϕ_{Ms} \frac{\alpha_M M_{Rk,s}}{l_a} \]
waarbij:
- \( ϕ_{Ms} = f_{yf} / f_{uf} \le 0.8 \) wanneer fuf ≤ 800 MPa en fyf / fuf ≤ 0,8; ϕMs = 2/3 anders – capaciteitsfactor voor bezwijken van het staal bij afschuiving (Tabel 3.2.4)
- αM = 2 – parameter die rekening houdt met de mate van inklemming; de bevestigingsplaat wordt verondersteld niet te kunnen roteren – Cl. 4.2.2.4
- \( M_{Rk,s} = M_{Rk,s}^0 \left ( 1- \frac{N^*}{ϕ_{Ms} N_{Rk,s}} \right ) \) – karakteristieke buigsterkte van het bevestigingsmiddel beïnvloed door de normaalkracht
- la = a3 + e1 – lengte van de hefboomarm
- a3 = 0,5 d – afstand tussen het veronderstelde inklemningspunt van het op afschuiving belaste bevestigingsmiddel en het betonoppervlak
- e1 = tg + tfix / 2 – excentriciteit van de aangebrachte afschuifbelasting ten opzichte van het betonoppervlak, waarbij de dikte van een nivelleringslaag of mortel wordt verwaarloosd
- tg – dikte van de mortellaag
- tfix – dikte van de voetplaat
- d – nominale diameter van het bevestigingsmiddel
- N* – rekenwaarde van de trekkracht
- ϕMs NRk,s – treksterkte van een bevestigingsmiddel bij bezwijken van het staal
- MRk,s0 = 1,2 Wel fuf – karakteristieke buigsterkte van het bevestigingsmiddel – ETAG 001 – Bijlage C
- Wel = π d3 / 32 – elastische weerstandsmoment van het bevestigingsmiddel; de door schroefdraad gereduceerde diameter, \( d_s = \sqrt{\frac{4 A_s}{\pi}} \), wordt gebruikt in plaats van de nominale diameter d als Afschuifvlak in schroefdraad is geselecteerd
Betonrandfalen
Betonrandfalen wordt gecontroleerd conform Cl. 7.2.3. Als betonkegels van bevestigingsmiddelen elkaar overlappen, worden ze als een groep gecontroleerd. De randen in de richting van de afschuifbelasting worden gecontroleerd. Alle belasting op een voetplaat wordt verondersteld te worden overgedragen door een bevestigingsmiddel nabij de gecontroleerde rand.
\[ ϕ_{Mc} V_{Rk,c} = ϕ_{Mc} V_{Rk,c}^0 \frac{A_{c,V}}{A_{c,V}^0} \psi_{s,V} \psi_{h,V} \psi_{ec,V} \psi_{\alpha,V} \psi_{re,V} \]
waarbij:
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
- \( V_{Rk,c}^0 = k_9 d^{\alpha} l_f^{\beta} \sqrt{f'_c} c_1^{1.5} \) – beginwaarde van de karakteristieke afschuifsterkte van het bevestigingsmiddel – Cl. 7.2.3.2
- Ac,V – werkelijk oppervlak van het geïdealiseerde betonuitbreeklichaam – Cl. 7.2.3.3
- Ac,V0 = 4,5 c12 – referentie geprojecteerd oppervlak van de faalconus – Cl. 7.2.3.3
- \( psi_{s,V} = 0.7 + 0.3 \frac{c_2}{1.5 c_1} \le 1 \) – parameter die rekening houdt met de verstoring van de spanningsverdeling in het constructief betonelement – Cl. 7.2.3.4
- \( \psi_{h,V} = \left ( \frac{1.5 c_1}{h} \right ) ^{0.5} \ge 1 \) – parameter die rekening houdt met de invloed van de elementdikte – Cl. 7.2.3.5
- \( \psi_{ec,V} = \frac{1}{1+2 e_V / (3c_1)} \le 1 \) – parameter die rekening houdt met de excentriciteit van de resulterende belasting in een groep bevestigingsmiddelen – Cl. 7.2.3.6
- \( \psi_{\alpha,V} = \sqrt{\frac{1}{(\cos \alpha_V)^2 + (0.5 \sin \alpha_V)^2}} \ge 1 \) – parameter die rekening houdt met de hoek van de aangebrachte belasting – Cl. 7.2.3.7
- ψre,V = 1 – parameter die rekening houdt met het schilspalteringseffect – Cl. 7.2.3.8; er wordt aangenomen dat er geen randwapening of beugels aanwezig zijn
- k9 – parameter die rekening houdt met de toestand van het beton; voor gebarsten beton k9 = 1,7, voor ongebarsten beton k9 = 2,4
- d – nominale diameter van het bevestigingsmiddel
- \( \alpha = 0.1 \left ( \frac{l_f}{c_1} \right ) ^{0.5} \)
- \( \beta = 0.1 \left ( \frac{d}{c_1} \right ) ^{0.2} \)
- lf = hef ≤ 12 d waarbij d ≤ 24 mm; lf = hef ≤ max (8 d, 300 mm) waarbij d > 24 mm – parameter gerelateerd aan de lengte van het bevestigingsmiddel
- f'c – karakteristieke cilinderdruksterkte van beton op 28 dagen
- c1 – randafstand van het bevestigingsmiddel tot de onderzochte rand; conform Cl. 7.2.3.9 wordt voor een smal element, c2,max < 1,5 c1, dat tevens als dun wordt beschouwd, h < 1,5 c1, c'1 gebruikt in de voorgaande vergelijkingen in plaats van c1; de gereduceerde c'1 = max (c2,max / 1,5, h/ 1,5, sc,max / 3)
- c2 – de kleinste randafstand van het bevestigingsmiddel in de richting loodrecht op de onderzochte rand
- h – dikte van het constructief betonelement
- eV – excentriciteit van de resulterende afschuifkracht op een groep bevestigingsmiddelen ten opzichte van het zwaartepunt van de op afschuiving belaste bevestigingsmiddelen
- αV – hoek tussen de aangebrachte belasting op het bevestigingsmiddel of de groep bevestigingsmiddelen en de richting loodrecht op de beschouwde vrije rand, 0° < αV < 90°
- hef – effectieve inbeddiepte van het bevestigingsmiddel
Conform Cl. 6.2.8 mag aanvullende wapening worden gebruikt om krachten die betonrandfalen en/of betonuitstulpingsfalen veroorzaken over te dragen. Dergelijke wapening dient te worden ontworpen conform AS 3600.
Betonuitstulpingsfalen
Betonuitstulpingsfalen wordt gecontroleerd conform Cl. 7.2.4. Alle ankers op één voetplaat worden verondersteld op afschuiving te zijn belast en de betonuitbreekweerstand, NRk,c, gebruikt in de berekening, wordt berekend met de aanname dat alle ankers op trek zijn belast zonder enige excentriciteit. Er wordt geen aanvullende wapening aangenomen.
\[ ϕ_{Mc} V_{Rk,cp} = ϕ_{Mc} k_8 N_{Rk,c} \]
waarbij:
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
- k8 – parameter gepubliceerd in het Beoordelingsrapport; conform ETAG 001 – Bijlage C geldt voor hef < 60 mm: k8 = 1 en voor hef ≥ 60 mm: k8 = 2
- NRk,c – karakteristieke betonkegelssterkte voor een enkel bevestigingsmiddel of een bevestigingsmiddel in een groep
Gecombineerde trek- en afschuifbelasting
De weerstand van een bevestigingsmiddel belast door gecombineerde trek en afschuiving wordt bepaald conform Hoofdstuk 8.
Bezwijken van het staal
De beoordeling van het gedrag onder gecombineerde trek- en afschuifbelasting van het bevestigingsmiddel is gebaseerd op AS 4100:
\[ \left ( \frac{N^*}{ϕ_{Ms} N_{Rk,s}} \right ) ^2 + \left ( \frac{V^*}{ϕ_{Ms} V_{Rk,s}} \right ) ^2 \le 1.0 \]
Bezwijken van het beton
Andere faalmodi dan staal worden gecontroleerd conform Cl. 8.2.1:
\[ \left ( \frac{N^*}{ϕ_{Mc} N_{Rk,i}} \right ) ^{1.5} + \left ( \frac{V^*}{ϕ_{Mc} V_{Rk,i}} \right ) ^{1.5} \le 1.0 \]
waarbij:
- N* – rekenwaarde van de trekkracht op een enkel bevestigingsmiddel of groep
- V* – rekenwaarde van de afschuifkracht op een enkel bevestigingsmiddel of groep
- NRk,i – karakteristieke treksterkte van het bevestigingsmiddel of de groep bij faalmodus 'i'
- VRk,i – karakteristieke afschuifsterkte van het bevestigingsmiddel of de groep bij faalmodus 'i'
- \( ϕ_{Ms} = \frac{5 f_{yf}}{6 f_{uf}} \) – capaciteitsfactor voor bezwijken van het staal bij trek (Tabel 3.2.4)
- ϕMs = fyf / fuf ≤ 0,8 wanneer fuf ≤ 800 MPa en fyf / fuf ≤ 0,8; ϕMs = 2/3 anders – capaciteitsfactor voor bezwijken van het staal bij afschuiving (Tabel 3.2.4)
- ϕMc – capaciteitsfactor voor ankerfaalmodi gerelateerd aan beton, aanpasbaar in de norminstellingen; aanbevolen waarde is 1/1,5 (Tabel 3.2.4)
Stand-off ankers
Ankers met stand-off worden ontworpen als staaf conform AS 4100 met capaciteitsfactoren voor bouten. De aangenomen lengte van de staaf is de som van de hoogte van de tussenruimte, de helft van de nominale diameter en de helft van de voetplaatdikte. Stand-off ankers worden doorgaans gecontroleerd als bouwfase vóór het injecteren.
Buigcapaciteit
De buigcapaciteit wordt bepaald conform AS 4100, Cl. 5.1.
M* ≤ ϕ Ms
waarbij:
- M* – buigend moment op het anker bepaald door de eindige elementenmethode
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Ms = fy Ze – doorsnede-buigcapaciteit
- fy – vloeigrens van het anker
- Ze = min {S, 1,5 · Z} – effectief weerstandsmoment – Cl. 5.2.3
- \( S = \frac{d^3}{6} \) – plastisch weerstandsmoment; als Afschuifvlak in schroefdraad is geselecteerd, wordt de nominale diameter d vervangen door de door schroefdraad gereduceerde diameter ds
- \( Z = \frac{1}{32} \pi d^3 \) – elastisch weerstandsmoment; als Afschuifvlak in schroefdraad is geselecteerd, wordt de nominale diameter d vervangen door de door schroefdraad gereduceerde diameter ds
Afschuifcapaciteit
De afschuifcapaciteit wordt bepaald conform AS 4100, Cl. 5.11.
V* ≤ ϕ Vw
waarbij:
- V* – rekenwaarde van de afschuifkracht
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Vw = 0,6 fy Aw – nominale afschuifvloeigrenskapaciteit – Cl. 5.11.4
- fy – vloeigrens van het anker
- Aw = 0,844 As – afschuifoppervlak
- As – trekspanningsoppervlak van een bout zoals gedefinieerd in AS 1275
Drukkrachtcapaciteit
De drukkrachtcapaciteit wordt bepaald conform AS 4100, Cl. 6. Knik wordt in rekening gebracht conform Cl. 6.3:
N* ≤ ϕ Nc
waarbij:
- N* – rekenwaarde van de druk kracht
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Nc = αc Ns ≤ Ns – nominale staafcapaciteit – Cl. 6.3.3
- Ns = kf As fy – nominale doorsnedecapaciteit – Cl. 6.2
- fy – vloeigrens van het anker
- le = ke l – kniklengte – Cl. 6.3.2
- ke = 2 – effectieve lengtefactor van de staaf; conservatief wordt aangenomen dat het anker onderaan is ingeklemd en bovenaan scharnierend is als zwenkstaaf
- l = lgap + d / 2 + tp / 2 – aangenomen lengte van de staaf
- lgap – hoogte van de tussenruimte
- d – nominale boutdiameter
- tp – dikte van de voetplaat
- \( \alpha_c = \xi \left \{ 1 - \sqrt{1- \left ( \frac{90}{\xi \lambda} \right )^2 } \right \} \) – knikreductiefactor voor drukstaven – Cl. 6.3.3
- \( \xi = \frac{\left( \frac{\lambda}{90} \right)^2 + 1 + \eta}{2 \left( \frac{\lambda}{90} \right)^2} \) – factor voor drukstaven – Cl. 6.3.3
- \( \lambda = \lambda_n + \alpha_a \alpha_b \) – slankheidsverhouding – Cl. 6.3.3
- \( \eta = 0.00326 (\lambda-13.5) \) – imperfectiefactor voor drukstaven – Cl. 6.3.3
- \( \lambda_n = \frac{l_e}{r} \sqrt{k_f} \sqrt{\frac{f_y}{250}} \) – gewijzigde slankheid van drukstaven – Cl. 6.3.3
- kf = 1 – vormfactor – Cl. 6.2.2
- \( r = \sqrt{\frac{I_s}{A_s}} \) – traagheidsstraal
- \( I_s = \frac{1}{64} \pi d_s^4 \) – traagheidsmoment
- As – trekspanningsoppervlak van een bout zoals gedefinieerd in AS 1275
- \( d_s = \sqrt{\frac{4 A_s}{\pi}} \) – door schroefdraad gereduceerde diameter
- \( \alpha_a = \frac{2100 (\lambda_n - 13.5)}{\lambda_n^2 - 15.3 \lambda_n + 2050} \) – factor voor drukstaven – Cl. 6.3.3
- αb = 0,5 – doorsnedeconstante voor drukstaven – Tabel 6.3.3
Trekkrachtcapaciteit
De trekkrachtcapaciteit wordt bepaald conform AS 4100, Cl. 7:
N* ≤ ϕ Nt
waarbij:
- N* – rekenwaarde van de trek kracht
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Nt = As fy – nominale doorsnedecapaciteit van een bout bij trek – Cl. 7.2
- As – trekspanningsoppervlak van een bout zoals gespecificeerd in AS 1275
- fy – vloeigrens van het anker
Interactie van belastingen
Als een anker met stand-off wordt belast door een afschuifkracht en een druk kracht, wordt de interactiecontrole van belastingen uitgevoerd:
\[ \frac{N^*}{\phi N_c} + \frac{M^*}{\phi M_s} \le 1 \]
waarbij:
- N* – rekenwaarde van de druk kracht
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Nc – drukweerstand
- M* – rekenwaarde van het buigend moment ten gevolge van afschuiving op een hefboomarm
- Ms – buigweerstand
Daarnaast worden de controles van bezwijken van het staal bij afschuiving en betonafschuiffalen (betonrandfalen, betonuitstulpingsfalen) uitgevoerd.
Als een anker met stand-off wordt belast door een afschuifkracht en een trek kracht, wordt de interactiecontrole van belastingen uitgevoerd:
\[ \frac{N_{tf}^*}{\phi N_{t}} + \frac{M^*}{\phi M_s} \le 1 \]
waarbij:
- N*tf – rekenwaarde van de trek kracht
- ϕ = 0,8 – capaciteitsfactor voor bouten
- Nt – trekweerstand
- M* – rekenwaarde van het buigend moment ten gevolge van afschuiving op een hefboomarm
- Ms – buigweerstand
Daarnaast worden de controles van bezwijken van het staal bij afschuiving en betonfalingen ten gevolge van trek en afschuiving uitgevoerd.
Detaillering van bouten, lassen en ankers volgens Australische normen
Bouten
Minimale hartafstand (afstand tussen de harten van boutgaten) mag niet kleiner zijn dan 2,5 maal de nominale boutdiameter. De waarde wordt aanbevolen in Clausule 9.5.1 en is bewerkbaar in de Code setup.
Minimale randafstand (afstand tussen het hart van het boutgat en de plaatrand) mag niet kleiner zijn dan 1,25 maal de nominale boutdiameter. De waarde wordt aanbevolen in Clausule 9.5.2 voor gewalste randen en kan worden gewijzigd in de Code setup.
Lassen
De minimale grootte van een hoeklas wordt gecontroleerd volgens Clausule 9.6.3.2 en dient de kleinste te zijn van de dikte van het dunste verbonden deel en de waarde in de volgende tabel:
De lasgrootte wordt aangenomen als \( \sqrt{2} \) maal de laskeeldikte.
Ankers
De minimale onderlinge afstand tussen ankers dient s ≥ 4d te zijn, waarbij d de nominale diameter van het anker is. De factor 4 is bewerkbaar in de Code setup.
De minimale randafstand volgt de regels voor bouten, d.w.z. deze mag niet kleiner zijn dan 1,25 maal de nominale boutdiameter. De waarde wordt aanbevolen in Clausule 9.5.2 voor gewalste randen en kan worden gewijzigd in de Code setup.
Verbindingsclassificatie volgens Australische normen
Verbindingen worden geclassificeerd op basis van verbindingsstijfheid in:
- Stijf – verbindingen met verwaarloosbare verandering van de oorspronkelijke hoeken tussen staven,
- Flexibel – verbindingen waarvan wordt aangenomen dat ze een betrouwbare en bekende mate van buiklemming kunnen leveren,
- Scharnierend – verbindingen die geen buigmomenten ontwikkelen.
De Australische norm AS 4100, Cl. 4.2 geeft geen exacte grenzen, zodat de verbindingen worden geclassificeerd volgens het commentaar in AISC 360-16, Cl. B3.4.
- Stijf – \( \frac{S_{j,ini} L_b}{E I_b} \ge 20 \)
- Flexibel – \( 2 < \frac{S_{j,ini} L_b}{E I_b} < 20 \)
- Scharnierend – \( \frac{S_{j,ini} L_b}{E I_b} \le 2 \)
waarbij:
- Sj,ini – beginstijfheid van de verbinding; de verbindingsstijfheid wordt als lineair beschouwd tot 2/3 van Mj,Rd
- Lb – theoretische lengte van de geanalyseerde staaf
- E – elasticiteitsmodulus van Young
- Ib – traagheidsmoment van de geanalyseerde staaf
- Mj,Rd – rekenwaarde van het buigmomentweerstand van de verbinding
Capaciteitsontwerp volgens Australische normen
Capaciteitsontwerp is een onderdeel van de seismische normtoetsing en zorgt ervoor dat de verbinding voldoende vervormingscapaciteit heeft.
Het doel van capaciteitsontwerp is te bevestigen dat een gebouw gecontroleerd ductiel gedrag vertoont om instorting bij een maatgevende aardbeving te voorkomen. Capaciteitsontwerp ontbreekt in de Australische norm, daarom wordt in plaats daarvan de Nieuw-Zeelandse norm gebruikt. Er wordt verwacht dat een plastische scharnier optreedt in het dissiperende element, en alle niet-dissiperende elementen van de verbinding moeten de krachten als gevolg van vloeien in het dissiperende element veilig kunnen overdragen. Het dissiperende element is doorgaans een staaf in een momentvast raamwerk, maar het kan ook bijvoorbeeld een kopplaat zijn. De veiligheidsfactor wordt niet toegepast op dissiperende elementen. De vloeigrens van het dissiperende element wordt berekend als Fy,max = 0.9 ϕos ϕomfy, waarbij:
- ϕos – rekversteviging factor; de aanbevolen waarden zijn ϕos = 1.15 voor een staaf in een momentvast raamwerk, γsh = 1.0 anders; aanpasbaar in bewerking
- ϕom – oversterkte factor – EN 1998-1, Art. 6.2; de aanbevolen waarde is ϕom = 1.3; aanpasbaar in materialen
Het materiaaldiagram wordt aangepast volgens de volgende figuur:
De verhoogde sterkte van het dissiperende element maakt het mogelijk belastingen in te voeren die ervoor zorgen dat de plastische scharnier optreedt in het dissiperende element. In het geval van een momentvast raamwerk met een staaf als dissiperend element, dient de staaf belast te worden met My = fy,maxWpl,y en de bijbehorende dwarskracht Vz = –2 My / Lh, waarbij:
- fy – karakteristieke vloeigrens
- Wpl,y – plastisch weerstandsmoment
- Lh – afstand tussen plastische scharnieren op de staaf
In het geval van een asymmetrische verbinding dient de staaf belast te worden met zowel positieve als negatieve buigmomenten en de bijbehorende dwarskrachten.
De platen van dissiperende elementen zijn uitgesloten van normtoetsing.